Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 33 - [7/7] Luuk Gruwez: Balans

zaterdag 22 augustus 2020

                              (Over de doden niets dan goeds.)

                              In memoriam Eriek Verpale


I

Nu de kamp voorbij is en verloren
ruim ik je peuken en bezopenheden op,
je balorige scharrels, scherven van verzen.
En de tristesse van duizenden lege flessen.

Wat zocht je nu echt, metaforen of meisjes?
Een dikke bril wellicht, een haarlok of een trui,
niet het hebberige van een lijf, naakter dan naakt.
Vanwaar toch de verdichtsels die je op moest hoesten?
Je vliegend tapijt? Liters Liebfraumilch, te zoete port:

kieskeurig was je niet meer voor je dagelijksheid.
Nog amper had je iets gaafs in de mond. Niet eens
een halve vent in je pen. Toch handhaaf ik, na de krop
in je strot, mijn dank aan elke stomme grap,
voor al het magistrale geklets waarmee je mij bedacht.


II 

Is funerair gevrij misschien mijn specialiteit
en het postume mijn ridicule ejaculatio praecox?
Zo lang mijn vriend en dan weer niet
en dan weer wel. Jij die, nu uitgepraat,

mij nogmaals na aan het hart komt te liggen
met dat te stille graf dat mij aan jou verknocht
wil houden. Je betaalde voor je verliesgevende
liefdes, je guilty pleasures, doorgaans de beste

prijs-kwaliteit: niets, nada, niente. Terwijl slechts
dit van je bleef: te veel diaspora binnen één lijf,
te weinig verblijf in je ik, geen cent in je portemonnee.
Waarom en welke god ter ere moest je zoveel

zien en liegen voor je jezelf geloven kon?
Zo lang nog had je ondanks miezel en misère
kunnen stralen, trieste paljas, ooit door velen
aanbieden, schlemiel die ik al bijna leek vergeten

tot ik te laat weer wist: ik moet je spreken.


III

Je hebt, Verpale, kapotte vent verpakt in een jongen,
een filmster van een gevel geplukt, haar gulden vlies
brutaal doorboord. Bologna locus delicti.
Naast mij de weidse flanken van een dichteres,

die vroeger van Fellini is geweest. Naast jou een bard,
nog baltsend in zeer late herfst. Ik, geleidehond, zoek uit
waar wij naartoe onder een lucht vol vleermuizen, engelen,
knoflook, oregano. En hoog op de wind de pagina

der pagina’s die niemand ooit te pakken krijgt. Nee, hier
is nu niet langer hier, jij zanger van Jan Lul en meisjesrover
op papier. De vespa’s rijden af en aan uit niet bestaande
straten. Wanneer, wanneer brengen zij ons ter plaatse?


IV

                              (Engelenhof, Ertvelde)

Niet elk komt op dezelfde wijze thuis. Waar ligt
het België van de engelen, de maffia van de
vleermuizen? En hoe ver weg het kruim van de
dichters die meestal in triestere landen verblijven?
Men prijst de dood om zijn democratie,

maar hoe wreedaardig: dat jong konijnenvoer
als Els of Lot, door een of andere hardrijder verschalkt,
zo dicht bij jou is komen te liggen,
haar dromen amper bekoeld tussen haar lakens?

Niet elk komt op dezelfde wijze om. Kruipen engelen
deze natte zomer bij wijze van late hommage
als naaktslakken uit de humusrijke kerkhofgrond
van Engelenhof om alsnog aan een lupine te likken?
Of zijn ook zij niets meer dan dode zielen? Precies als

jij, onnozel lam, zo koosjer als een tube tandpasta,
zonder drank of nicotine, maar wel ontsnapt aan je gezwellen.
Misschien nog trots op wat je bent geweest tijdens
de eerste weldadige, dodelijke rook die je
naar de wimpers van een liefste blies.


V

Zal ik het hebben over het hiernamaals, mijn vriend?
Is dit nu blauw of groen? Bestaat het uit bosbessen- of
rabarberjam, mosselen, friet? Of helemaal niet?

Laat me maar nadenken over het hiernamaals. Welke
bezwaren daartegen zijn. En of je het desnoods lopend
of fietsend kunt bereiken, zelfs als het onvoorstelbaar is.

Ik weet: nooit raken wij het eens, mijn vriend.
Het is misschien iets minimaals en zeer banaals.
Iets klungeligs, niet eens van taal. Klank zonder verhaal.

2018


Luuk Gruwez in Het land van de handen:

Huize Sehnsucht, Hasselt, 10 augustus 2017

De voorbije nacht, de nacht van 9 op 10 augustus dus, was het precies twee jaar geleden dat mijn voormalige spitsbroeder Eriek Verpale overleden is. Nu ik dit besef, lijkt het of deze notoire grapjas, met wie ik al jaren gebrouilleerd was, nog op mijn verjaardag heeft gewacht om zijn lier aan de wilgen te hangen en zijn kaars uit te blazen. Met geen enkel levend wezen, behalve zijn poes, als getuige. Ik ga op zoek naar de laatste brief die ik hem geschreven heb, maar tref alleen mijn waarschijnlijk voorlaatste aan.
Als mijn ‘beminde vriend’, zoals ik hem eertijds adresseerde, kan ik hem nog steeds niet aanspreken, maar mijn brief draagt de kiem van verzoening in zich. Daarna zou het toch nog fout lopen. Wishful thinking was de allerdomste houding die je tegenover een man als Eriek Verpale kon aannemen: het zou en het moest fout gaan, want zonder pech weigerde hij te leven. Maar een laatste brief die kordaat de definitieve breuk bevestigt, tref ik nergens meer aan. Daardoor lijkt het alsof het proces van onze verzoening nog steeds gaande is.

Het eerste gedicht van deze cyclus plaatste ik hier al eerder in deze rubriek. Maar na het lezen van Het land van de handen bied ik mijn lezers graag de volledige reeks aan, opgenomen in Bakermat, Gruwez’ laatste bundel, waaruit ik eerder al vier gedichten koos (te beginnen hier).

Archief 2020