Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 33 - [4/7] Willem van Zadelhoff: Chopin...

woensdag 19 augustus 2020

Chopin in de aspergevelden


1.

rode rozen voor de blauwe vrouwen
in het holst van een nacht blauwe vrouwen
bij barakken tussen boter en vis
doen ze dingen die tellen

tellen rozen voor blauwe vrouwen
struiken en soms een boom
of uitschieters op een onverwachte plek
het gazon spreidt zich voor hen uit

rozen in zo’n landschap
onder wolkenluchten
de pianist die dwaalt
van voor naar voor
dwaalt zijn liefdeslied
een etude voor gevorderden
steeds verder weg de blauwe vrouwen
hun roep om rode rozen en een opkomende zon
het ivoor van de toetsen
blikkert als een plastic gebit in de nacht


2.

dus dat blauw van lip en vrouw
dat blauw van vroege zonsondergangen
blauw van spataderen op een oud meisjesbeen
blauw van een tuberculeuze wang

dus als daar de bleke pool met onder zijn ogen
dat blauw dat blauwe fluweel op dat portret van mieczyslaw koscielniak
aan de wand van de zaal waar het orkest in auschwitz
repeteerde waar de bleekneus
op zijn piano een wals hamerde
zo graaierig zo vragend om aalmoes
om moederborst
sowieso melodieën klinkend als meisjesnamen


3.

dus als de fluwelen godenzoon
hoestend kuchend en naar adem snakkend
rode harten strooit in de witte zakdoeken
van de blauwe vrouwen
die nog steeds gebogen in het veld
met zwarte handen hun schatten delven

dus als de pool zijn ogen sluit
een kort moment wacht
aarzelt even opent zo langzaam
die ogen trekt hij zijn gezicht in een verbaasde grimas
over die bleke handen over die blauwe weerschijn
zich verbazend legt hij aan
schat als een jager zijn mogelijkheden in
en begint haperend
heel langzaam
dat zoeken naar een aanknopingspunt


4.

en in de aspergevelden verstomt
het gesjilp van vogels
het geritsel van dieren
als plotseling dat vormeloze opduikt
dat rare verschijnen uit het niets
die eerste aarzelende klanken

nu heb je de poppen aan het dansen
denkt een vrouw haar handen nog in de aarde
maar het gebulder van de opzichter
trekt een streep aan de horizon


5.

kijk eens hoe dik mijn vingers zijn
zo dik die vingers bijna vertederend
met zulke vingers veroverden mijn voorvaderen
de harten van de vrouwen in zijn dorp

met deze vingers werden voorwaarden geschapen
voor nageslacht
dat strelen en wikken en wegen die hele rataplan
dat kruisen en enten
voordat je het weet is een gewas
niet meer wat het was
zingt hij plotseling over paarden
over paarden die maar draven
als ook zijn oor die tuberculeuze melodie vangt


6.

de pool kijkt naar de voeten van de blauwe vrouwen
terwijl hij hen met zijn virtuoos vingerspel zo verdomd to the point
zo gelijkhebberig iets duidelijk maakt

zichzelf toewuivend met een ansichtkaart
van zijn moederlijke kasteelvrouwe
met wie hij zo goed kon lachen en huilen
maar dat was veel later
toen hij er eigenlijk al nauwelijks meer was
toen hij blauwachtig bijna doorzichtig was

maar nu is hij nog op doorreis
van vaderland naar moederschoot
en onderweg moet ook gegeten worden

dus als die poolse begint over
stel het je voor asperges
begint dus over dat hart van haar


7.

haalt de dikzak uit met zijn zweep
terwijl hij zich een leven droomt in een ver land
tussen groene heuvels
op een pampa
want ze zeggen niet voor niets
dat daar helden geboren worden
die de bloemen der natie behoeden
voor stormwinden
die het wit van een zakdoek respecteren

de blauwe vrouwen voortgedreven
pannenkoekjes van boekweitmeel voor onderweg
naar de velden met wit goud
hun bekers rammelend aan de ceinturen
die hun rokken bij elkaar houden
dagdromend over die verdomde poolse loverboy
die al neuriënd hun hoofden is binnengedrongen

en tekent de man met zijn zweep een paard
in de lucht dat koeien achtervolgt
op het paard een man
heel behoedzaam draagt hij iets op zijn borst
kwetsbaar als een pas geheelde wond

2020


Ik beloofde, na de humor van gisteren, op een van de acht andere reeksen in te gaan, die alle veel serieuzer van toon zijn. Op bovenstaande cyclus beet ik me lang stuk en ik vind dat Van Zadelhoff in zijn aantekeningen achterin – en niet alleen ten aanzien van deze reeks – veel te karig is met informatie. Jawel, poëzie mag je interpreteren zoals je wilt, kan een opvatting zijn, maar waarom zou je de lezer geschiedkundige achtergrondinformatie onthouden? 

Als Van Zadelhoff ons niet in het zadel – nee, die doen we niet: dan zelf gezocht. Het wereldwijde web helpt en dat is zelfs onmisbaar bij het doorgronden van de vijfde reeks, die de mysterieuze titel Chopin in de aspergevelden kreeg. Je hoeft over het geheel genomen geen heel geschoold poëzielezer te zijn om des dichters gedichten te plaatsen en te doorgronden, want Van Zadelhoffs werk is eerder anekdotisch dan hermetisch van aard. Maar voor de reeks die ik vandaag volledig prijsgeef, moet je echt wel speuren. Dat heeft me veel tijd en hoofdbrekens gekost. Chopin kennen we natuurlijk en ook op Auschwitz kunnen we direct associëren. Maar Mieczyslaw Koscjielniak? En waar staat al dat rood en blauw voor?

Naar internet dus en dan stuit je op dit portret van Chopin:





En op de informatie dat het portret van de beroemde componist gemaakt is door de Poolse gevangene Mieczyslaw Koscielniak, een prominente kunstenaar die in 1941 wordt gearresteerd en vervolgens naar Auschwitz is getransporteerd. Gedurende zijn jaren in het concentratiekamp maakt hij enkele honderden werken waarop hij hoofdzakelijk een beeld schetst van het dagelijks leven van de gevangenen.





Het portret van Chopin is onderdeel van een serie portretten van componisten. Koscielniak maakt deze waterverfschilderijen in opdracht van de Duitsers. Ze komen te hangen in een klein oefenzaaltje van het orkest van Auschwitz. Dit orkest, dat voornamelijk bestaat uit gevangenen, speelt onder meer als er nieuwe treinen met gevangenen arriveren. De Duitsers willen de ruimte opvrolijken omdat SS’ers ook wel eens gasten naar muziek laten luisteren. Met portretten van Duitse componisten dus, zoals Beethoven, Mozart en Wagner. Toch slaagt Koscielniak erin ook een portret van zijn landgenoot Chopin aan de verzameling Duitse componisten toe te voegen. Frédéric François Chopin is, al emigreerde hij naar Frankrijk, immers op 1 maart 1810 in Polen geboren en heet eigenlijk Fryderyk Franciszek Chopin. Maar dat wisten de Duitsers klaarblijkelijk weer niet.




In het museum van het concentratiekamp zijn veel tekeningen te zien die Koscielniak stiekem maakt van het leven in het kamp en die hij naar buiten weet te smokkelen. Hijzelf overleeft het kamp en sterft pas in 1993. 
Tot voorjaar 2012 wordt aangenomen dat alle componisten-portretten van Koscielniak verloren zijn gegaan tijdens de ontmanteling van het kamp. Dan leest de Poolse hoogleraar Aleksander Skotnicki in een boek over die werken en hij realiseert zich dat hij waarschijnlijk een van de schilderijen in zijn huis heeft hangen. Als hij in een hoek van het werk ook nog eens de initialen MK en het jaartal 1943 ziet weet hij helemaal zeker dat het om een werk van Koscielniak gaat. Waarschijnlijk is het portret na de oorlog in handen gekomen van een rechter die de oorlogsmisdaden in het kamp onderzoekt. De hoogleraar kreeg het later van zijn secretaresse cadeau.




Zo weten we al veel meer. Maar al het rood en blauw in de gedichten? Dat verwijst ontegenzeglijk naar de kleuren in dit schilderij. En de tuberculeuze melodie naar de ziekte waarin de componist op 39-jarige leeftijd overleed. Aan het slot is er nog een verwijzing naar het feit dat hij ligt begraven in Parijs, maar dat zijn hart is ingemetseld in een pilaar in een kerk in Warschau. En wat de rozen betreft, zou ik dieper kunnen ingaan op het feit dat Van Zadelhoffs grootvader een Amsterdamse rozenverkoper was over wie hij schreef in zijn romans en eerdere gedichtenbundels. Als dichter voelt hij zich ook een rozenverkoper.
Maar ik wil vooral zeggen: lees deze reeks associatief en studeer er niet zo lang op als ik deed. Vanaf morgen kom ik immers terug op andere aspecten van de bundel. Morgen opnieuw? Ja, want
Al mijn kappers beschouw ik echt als een hoogtepunt binnen het dit jaar verschenen poëzieaanbod.

Archief 2020