Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2020-1 (A t/m M), 2020-2 (N t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 31 - 93. Gerrit Achterberg: Droomballade

donderdag 06 augustus 2020

O gij die ik had opgewacht.
Ik bond den wind om uwen hals
in verre sterrenacht, ik brak
uw dansen af tot op de grond,
uw lachen vond
den dood onder mijn schaterlach

De huizen werden blokken nacht.
De hemel was een zwarte doek
over de rouwhuizen heengebracht,
en in mijn mond
de regen regende lang en zwart.

Toen stond gij op en wond
mijn handen langzaam uit de knoop.
Met nooit zo ondervonden handen
sloot gij mijn opgebroken oog.

Gij hield mijn hoofd in wind en licht
en woei mij uit en liet doorstralen
dit moegebeefde vlees, het lijf
lag in uw schoot adem te halen.

En in uwer ogen spiegelzalen
braken de eerste tranen los.
Gij kunt uw dansen weer herhalen.
Ik ben, o dromenbond, verlost.

1931


Vervolg van gisteren.

Uit Afvaart, zijn debuutbundel. Achterberg schreef het gedicht nadat Cathrien een einde maakte aan hun verhouding, onder meer vanwege zijn driftige uitbarstingen, ook seksueel. 





Anvankelijk heette het gedicht Moordballade en de inhoud was ook gruwelijker. De regels in blauw hierboven, luidden aanvankelijk zo:

O gij die ik had omgebracht.
[…] uw lachen vond
den dood in mijnen lach.

[…]

Toen stond gij op en vond
mijn handen, waar uw bloed afdroop.



Gerrit Achterberg in 1936, een jaar voor
de moord op zijn hospita 



De titel veranderde al tijdens het samenstellen van de bundel; de overige wijzigingen bracht hij pas na de oorlog aan. 
Zoals in meer van Achterbergs gedichten is hier sprake van wat Hazeu noemt: seksuele overmeestering, waarbij het wezen van de vrouw niet telt, maar het lichaam ‘alles’ is. Na de overmanning blijft er van de ik-figuur ‘dit moegebeefde vlees, het lijf’ over, dat ‘lag in uw schoot adem te halen’. 

Achterberg realiseerde zich dat een latere gebeurtenis in zijn leven ervoor zou zorgen dat dit vroege gedicht voor altijd een verkeerde interpretatie zou krijgen. De gebeurtenis ongedaan maken, kon hij niet; de verkeerde suggestie weggummen wel.

Archief 2020