Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 23 - [2/7] Paul Demets: Dorpsgezicht

maandag 08 juni 2020

Vanmorgen werd ik wakker als een dorp. Er denderde
een vrachtwagen. Aan de elektriciteitspalen spanden zich
mijn spieren op. Ik rekte mijn straten. De bomen

waren gerooid. Er waaide een bries toen ik de deur opende.
Ik keek in de plantgaten: oogkassen, aardedonker.
De buren haastten zich in hun auto. In mijn slaap zaten ze

nog met hun armen gekruist op de stoep te praten.
De kinderen vergaten te spelen. De duiven dansten niet
op de dakrand en ik rilde in de ochtend. Het gleed

als een deken van me af, dit gezicht dat ik met je wou delen.
Een torenkraan, een graafmachine: ze grepen in, ze zaten
me op de huid. Vanmorgen werd ik wakker als een dorp.

Er viel iets op mijn schouder, iets dat mij niet losliet, iets
waar ik altijd bij moest blijven, al werd ik onbewoonbaar
verklaard. Ik raapte kastanjes op, maar ontbolsterde niet. 

2020


Het gebeurt niet vaak dat er op hetzelfde moment twee bundels van een dichter verschijnen. Naast Paul Demets’ De hazenklager kwam, nu bij zijn Vlaamse uitgeverij, De aangelanden uit. Motto: Een poging om zijn belevenissen in documentaire poëzie te vatten. Wat die belevenissen zijn? Ik citeer het achterplat:

Hoe ervaren mensen het leven op het platteland, dat net als in de steden meer dan ooit verandert? Bestaat dat nog: hechte dorpsgemeenschappen, traagheid en stilte? Wordt alles nu beheerst door appartementen, bio-industrie, molens voor windenergie en hoogspanningsmasten? Waarom worden er overal bomen gekapt? Allemaal vragen die Paul Demets zich tussen 2016 en 2019 stelde als plattelandsdichter van de Provincie Oost-Vlaanderen. Hij sloeg zijwegen in, praatte met de bewoners van het platteland, leefde mee met hen tussen planten en dieren. En beleefde met hen de actualiteit.





Ook in de uitvoerige inleiding stelt hij zich vragen, zoals over de poëzie zelf:
Hebben we behoefte aan poëzie die zich duidelijk uitspreekt in tijden van de groter wordende problemen in de land- en tuinbouw, de toenemende armoede en sociale uitsluiting op het platteland en de klimaatopwarming? Kan poëzie een impact hebben op de maatschappij?

Zichzelf die vragen stellen, leidde tot de keuze om, anders dan in De hazenklager, heldere gedichten te schrijven. Demets:
Omdat ik me niet alleen tot ervaren poëzielezers wilde richten, maar graag ook op een heel divers publiek dat minder met poëzie vertrouwd is. Ik heb deze gedichten dan ook voorgelezen op allerlei minder voor de hand liggende locaties: in parochiezalen, tijdens dorpsfeesten, tijdens een gezinsfietstocht, op een kerkhof, in parken, in natte weiden, op pleinen in de brandende zon, in een dreef of op bospaden. En in een koeienstal, waar de dieren mij een klaterend applaus gaven. Veel gedichten heb ik op postkaarten laten verspreiden, want die vinden overal hun weg. 

Het resultaat is een bundel met bijna zeventig, chronologisch gerangschikte gedichten, achterin nog voorzien van een korte toelichting per gedicht. Over dat van vandaag, waarmee de bundel opent: 
Naar aanleiding van mijn aanstelling als plattelandsdichter in januari 2016. Ik heb opgegroeid in een dorp. En ik vroeg me af wat het dorpsleven vandaag betekent.


Ook onderstaand gedicht schreef Demets als plattelandsdichter. Dit in 2018, ter gelegenheid van de Dag van de Stilte; een initiatief om de beleving van stilte, rust en ruimte in Vlaanderen en Brussel te koesteren en bevorderen.
Het staat niet in de bundel, waarschijnlijk omdat het, licht bewerkt, al is opgenomen in De Hazenklager (zie bij gisteren:  Diffusie 7 – Hand, laat mij niet los). Bovendien voldoet het, anders dan de meeste gedichten in De aangelanden, niet aan het streven voor een divers publiek toegankelijke gedichten te schrijven. Ter vergelijking.

Bladstilte

Hand van mij, laat mij niet los.
Blad dat afhangt van zijn tak
en meebuigt met de wind. Nerven

vol pigment. De tijd morst op het oppervlak.
Veeg de nog natte haren uit het gezicht
van het licht en bedek mij met schaamte.

Je bent zo vaak beschreven. Schaduw
mijn voorhoofd als ik in de zon kijk
en mijn donkerte zich langzaam oplost

als je naar haar reikt. Vorm die afhangt
van een vorm. Niets zijn, hand van mij,
dan bladstilte in een bos. De ingehouden

schreeuw van de boom voor hij ontworteld
wordt. Nauwelijks geluid van het wuiven.
Hand van mij, laat mij niet los.


Wordt vervolgd. 

Archief 2020