Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2020-1 (A t/m M), 2020-2 (N t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 19 - 39. Dorien De Vylder: Waterpoel

zondag 10 mei 2020

Theaterzaal

Het is hier als in een
drooggevallen
waterpoel zo stil.

Leeft hier niets
of houdt het zijn adem in?

2020


Nee, zo staat het er niet, maar in deze theaterloze Corona-tijd moest ik daaraan denken toen ik dit gedicht van de Gentse dichteres Dorien De Vylder (1988) las:


Waterpoel

Het is hier als in een
lege
theaterzaal zo stil.

Leeft hier niets
of houdt het zijn adem in?





Naast dichteres ook apotheker trouwens – en in een van haar nieuwe gedichten lees ik dat de eerste geruisloos kan vervellen uit de tweede.
  


Vertraagd stilleven (2017)



Vertraagd Stilleven (2017) heette haar debuut en daarin stond de herinnering als de tijdelijk bevroren waarneming centraal. Wie leest dat de titel van haar tweede bundel Heerlijk afgebakend eindeloos is, weet al dat die een variatie is op hetzelfde thema. Het woord heerlijk had zij mogen weglaten, want dan is die associatie nog sterker.




Ik ben geen liefhebber van haar, veelal korte verzen, die mij te veel blijven steken in sferische, omfloerste anekdotiek. En stilistisch stoor ik me aan de enjambementen, die normaliter dichtregels stuwen, maar hier voorspelbaar gekunsteld zijn geplaatst. Zoals in het onderstaande gedicht:

Na dagen van dolle stilte, gekloofde lippen, verzengende
hitte, trekt ze dat in haar oorlel vastgegroeide, vergulden 
hangertje los, legt het minuscule hendeltje in de palm
van haar andere hand, knielt, veegt wat steentjes opzij, prikt 
het ene uiteinde in de grond zodat het rechtstaat, neemt 
vervolgens het handvatje vast en zwengelt de wereld met 
de toppen van duim en wijsvinger geleidelijk aan, vanaf de 
eerste draaibeurt stijgt overal rondom kabaal op, de oceaan 
bij zonsopgang bijt de spits af, met het puntje van haar tong 
tussen haar tanden draait ze verder, helmparelhoenen 
hakketakken zich sneller en opzichtiger in haar belangstelling, 
een nietsvermoedende toerist slurpt zijn drankje leeg, een 
knokige ijsventer tuft met zijn typische deuntje tergend 
langzaam voorbij, zodra ze ophoudt met draaien, vallen 
de geluiden weg, voorzichtig trekt ze het zwengeltje uit 
de grond, prikt het door dat bijna herstelde gaatje in haar 
andere oor, stelt zich recht, rond haar mondhoeken verschijnt 
een flauwe glimlach, in herwonnen stilte trekt ze verder.


Ik zou alleen nog maar schrijven over de mooie dingen die ik aanraak en dat gaat op voor dit gedicht. Want ondanks mijn kritiek op de vorm, fascineert de inhoud mij zeer. De titel draagt daar zeker toe bij: Muziekdoosje. En echt bijzonder is Luciferdoosje

Die strakke oostenwind, het eerste okkernootje, slaap in een
pissebed, deze maïshakselaar-schorpioen, een cheetasprint,
een verpletterende golf en een majestueuze rots, een leeg en
geblutst olievat met een houten kruis op gebonden, kastanjeglans,
een weggewaaide vlakte, een kapotte bladblazer, hoogzwangere
maretakbol, in een grimas getrokken nachtmerrie, blanco info-
bord, die dolende taxonoom, erosie, zwavelgeel, pimpelmees,
de vertrappelde vouwmeter, deze verreiker-giraf, de pauzeknop,
de pas genivelleerde asfaltweg. Al deze objecten roep ik op uit
de berm, ik pulk ze uit het onkruid, vanonder een peukje, vanuit
een achtergelaten reiskoffer, er gaat niks verloren, in mijn kleine,
kartonnen doosje vang ik ze op en schuif het dicht.


Wat verloren dreigt te gaan voor het zich kan laten herinneren, vangt de dichter in haar lucifergedichtendoosje.

Archief 2020