Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 15 - [4/5] T. van Deel: Moeder

woensdag 15 april 2020

Zoals ze daar lag
wilde ik liever niet weten
dat ze mijn moeder was. De buik,
een broertje dood had ik eraan.
De zure lucht die uit de dekens kwam
maakte me kwaad dat ik er bij moest staan

Volgende dag met schoolreisje
bedacht ik op het nippertje
een ansicht te versturen.

Die heeft ze nooit gekregen
zei mijn vader toen ik wakker werd.

1969


Tom van Deel was negen jaar toen hij zijn moeder verloor; zij stierf in het kraambed, samen met haar tweede kind – een broertje dood had ik, in letterlijke zin; voor het onwetende kind, op de avond voor zijn schoolreisje en de dag van het noodlot, slechts in figuurlijke betekenis.
Bovenstaand gedicht, uit zijn debuut Strafwerk, herinnert aan die gebeurtenis. Het staat in de bundel Een steen in de beek verveelt zich, waarvoor Nicolaas Matsier en Marjolijne de Vos – beiden waren met hem bevriend en De Vos kreeg op de universiteit les van hem – een keuze maakten uit zijn zeven bundels en een bibliofiele uitgave, die nog verscheen een jaar voor Van Deels dood. Zestig gedichten van de slechts tweehonderd die hij schreef.





In hun nawoord schrijven de samenstellers: Hij is voor altijd het enig kind gebleven dat hij al was. Hij is ook altijd een dichter van weinig woorden gebleven. Zijn gedichten blijven ruim binnen de marge van de pagina en verlaten hun pagina nooit. Zelden of nooit zijn ze langer dan een regel of tien. Heel soms tellen ze maar drie regels. Zoals Epiloog, […] afkomstig uit het […] allerlaatste (bibliofiele, FV) bundeltje:

Geen zee, geen storm, geen schip
en toch het dwingend gevoel
in vliegende vaart te vergaan. 


Zelf sprak hij niet van gedichten, maar ‘versjes’. De samenstellers: Een soort schilderijtjes, kleine rechthoekige beelden die je wel aan een spijkertje aan de muur zou kunnen hangen. Dat beweerde Tom van Deel (1945-2019) nogal eens als hij voorlas. Hij had een voorkeur voor een blokvormig gedicht waarin meestal iets gezien werd: een rots, een iep, een weerspiegeling, een vogel, meestal een opgezette. Bij voorkeur iets dat stilstond te midden van het maar al te beweeglijke leven.

Dat zijn oeuvre klein bleef, is vooral het gevolg van zijn vele andere bezigheden, die hij dus ook belangrijker vond. Ook daar staan de samenstellers bij stil, zoals zijn docentschap (moderne letterkunde) aan de Universiteit van Amsterdam en zijn, eveneens langdurige werk als criticus (voor dagblad Trouw) en redacteur (van literair tijdschrift De Revisor). Ook was hij bloemlezer, essayist, invloedrijk jurylid en nog wel meer. De samenstellers: Hij was, met zijn hartelijkheid, zijn hartstocht voor literatuur en zijn verlangen om een echt gesprek aan te gaan, een man met wie het goed was bevriend te zijn, een man van wie je kon houden. 
Die liefde spat van deze bundel af. 

Ik schreef in deze rubriek al vaker over Van Deel (lees onder meer hier) en sluit af met mijn twee favoriete gedichten en ook die zijn in deze bloemlezing opgenomen. Ik herinnerde ze mij toen Van Deel, 12 augustus 2019, overleed. Omdat ze gaan over wat er in het leven toe doet en deed.


De dingen

Wie zijn ze als ze van niemand meer zijn, 
de verlaten dingen, de tafel, de viool.
Ze wachten af wie bij hen horen wil,
maar wie wil horen bij wat bestorven is.
Gedenk de dingen die het overleven,
niet zij zijn in de steek gelatenen,
wij zijn het zelf die ons, steeds weer, verlaten.


Weg

Niet altijd wijst de weg zichzelf. Er zijn er
die zich verliezen in steeds meer en steeds
minder doorzichtige stenige zijpaden, in omhoog
en omlaag zonder duidelijk doel, en nog altijd
is het een weg, met de sporen die daarop wijzen.
Misschien, denk je ergens, halverwege of waar
het ook mag zijn, als je in kalme angst meent
verdwaald te zijn en zelfs de weg terug nooit
meer te zullen vinden, misschien is er een oog
dat deze verwarde weg ziet als een rechte lijn,
als een pijl, die zonder omhaal afvliegt op
het doel. Vertrouw daarom de weg, altijd, want
hoe dan ook, hij komt aan, anders was hij er niet.


Dat geldt ook voor het gedicht, zijn bekendste, waaraan de titel van de bundel is ontleend:

Een steen

Een steen in de beek verveelt zich niet,
water glijdt langs en groet vluchtig,
hij blijft in beweging van denken, omspoeld
door suggesties, geduldig geslepen. Daar
ligt hij, vast in de bocht, schijnt de zon
een vrolijk tafereel: een steen die zich
niet verveelt, die ziet hoe het toegaat,
verandert, verdwijnt en aldoor bestaat.

Archief 2020