Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 4 - Co Woudsma: F.

zondag 26 januari 2020

Na de dode lopen we vanaf de plaats
waar F. toen nog niet lag door een gebied
van rails en weiland en voormalige bedrijven,
vervolgens door het park waar hij mij kort geleden
overschreeuwde, ik ging maar verderop mijn versjes doen.

Nu, bij de poort, nemen we afscheid,
de knipperogige in blauwe trui, de deernis
grijnzende nadrukkelijke bard in pak – dan gaan
we ieder naar ons eigen einde.

2019


In Hollands Maandblad (2019-11) las ik dit gedicht en ik wist: dit moet over F. Starik gaan, dichter over wie ik hier al zo vaak schreef. Geen eerbetoon, maar een aanklacht, zo interpreteerde ik en niet alleen tegen F., want hij overschreeuwde weliswaar, maar daarnaast waren er ook nog andere beklagenswaardige: een knipperogige in blauwe trui en de deernis grijnzende nadrukkelijke bard in pak.





Maar toch twijfelde ik. Dus vroeg ik er F.’s weduwe, dichteres Vrouwkje Tuinman, naar, die me berichtte: Ja dat gaat over F. En het is juist een heel lief bedoeld gedicht. Hij las het ook voor tijdens een herdenking van Menno [Wigman, FV] en Frank. Het speelt in en om het Westerpark in drie tijden door elkaar.
En in een PS: Co en F. waren heel goed met elkaar. F schreef geregeld grinnikend over Co’s verschijningsvorm, Co citeert daar nu uit, dat getuigt in mijn ogen van zelfspot. En iedere dichter die wel eens in de buurt van Frank heeft proberen voor te lezen, ging een meter verderop staan. […] Ik word er van alle kanten over benaderd...

Vaak over benaderd? Is Hollands Maandblad zo populair dat de publicatie van een negenregelig gedicht een literaire rel veroorzaakt? Sinds een paar dagen weet ik beter: niet de publicatie in Hollands Maandblad is de oorzaak, maar die in de Volkskrant. In zijn zaterdagse Volkskrant-column Poëzie Goed & Slecht van 4 januari schreef Arjan Peters over dit gedicht en hij interpreteerde het net zo verkeerd als ik dat deed. Peters schreef:

Hoe kwalijk van die Woudsma om deze gelegenheid – duidelijk een verwijzing naar de begrafenis van Starik op St. Barbara in Amsterdam – aan te grijpen om een paar rekeningen te vereffenen, niet alleen met de dode dichter, maar ook nog met een paar collega’s. Ter vertroosting: de slotregel suggereert wel dat ze hiermee van hem af zijn.

Ik miste die column, maar een ingezonden brief attendeerde me erop. Die was van Co Woudsma zelf. Ik citeer:

Had Arjan Peters soms veel te veel champagne op toen hij in het novembernummer van Hollands Maandblad mijn gedicht F. las? ‘Hoe kwalijk van die Woudsma om deze gelegenheid (…) aan te grijpen om een paar rekeningen te vereffenen, niet alleen met de dode dichter, maar ook nog met een paar collega’s.’

Waar in dit gedicht […] reken ik met wie dan ook af? En waar haalt Peters die ‘ook nog met een paar collega’s’ vandaan? In het gedicht komen maar twee dichters voor: F. Starik (F, hij, de deernis grijnzende nadrukkelijke bard in pak) en de ik-persoon (inderdaad Co Woudsma, de knipperogige in blauwe trui).

F. en ik kenden elkaar, ik zou hem zelfs een vriend willen noemen. Hij heeft heel veel voor mij betekend. Uit het gedicht spreekt – voor wie kan lezen – mijn liefde voor hem. Ik schreef het voor de herdenking van Starik en Menno Wigman in het Amsterdamse poëziecentrum Perdu, daar heb ik het voorgelezen, de tekst gaf ik na afloop aan zijn weduwe Vrouwkje Tuinman.

Dat knipperogige in blauwe trui is gebaseerd op een liefdevol en ironisch stuk dat Starik over mij en mijn meest recente dichtbundel in het digitale literaire tijdschrift Tzum schreef.

Misschien heeft Peters niet door dat in het gedicht drie tijden door elkaar lopen. Eerst is daar een festival in het Westerpark waar Starik en ik voorlezen (en inderdaad: hij had een harde stem en een theatrale manier van spreken en voordragen). Daarna zijn we beiden aanwezig op een Eenzame Uitvaart op de nabijgelegen begraafplaats St. Barbara (de dode is de eenzaam gestorvene) en ten slotte verwijst waar F. toen nog niet lag naar het feit dat de dichter inmiddels zelf op St. Barbara begraven ligt.

Het afscheid, aan het eind van het gedicht, is de herinnering aan het afscheid dat we, na voornoemde Eenzame Uitvaart van elkaar namen, nabij de Haarlemmerpoort. Overdrachtelijk staat de poort natuurlijk voor het hiernamaals (hemelpoort) en aangezien ieder mens sterfelijk is gaan zowel Starik als Woudsma naar hun eigen einde.

Ik schrijf dit zo nadrukkelijk omdat ik het onverdraaglijk zou vinden als men zou denken dat ik in dit gedicht met F. Starik zou willen ‘afrekenen’. Ik vond hem een heel fijn mens, hij was me dierbaar.

Blijft het raadsel waar Peters die collega’s vandaan haalt.

Rest mij nog te zeggen dat Peters geen enkel esthetisch argument noemt waarom hij dit gedicht ‘slecht’ zou vinden. Goed en slecht in de (dicht)kunst gaat over mooi en lelijk, over stijl. Natuurlijk staat het iedereen vrij dit gedicht goed of slecht te vinden, maar Peters’ opmerkingen gaan alleen over de (volkomen verkeerd begrepen!) inhoud van dit gedicht.


Zo krijgt niet alleen Peters, maar ook ondergetekende in de eerste maand van het nieuwe poëziejaar een lesje in nederigheid. Mijn voornemen: beter lezen en niet te snel oordelen. Daarvan acte.

Archief 2020