Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 2 - Anton Korteweg: Oude troubadour...

zondag 12 januari 2020

Oude troubadour aan de zijlijn

Genoeg te eten krijgen,
een beetje behoorlijk slapen,
je kringetje rond kunnen scharrelen,
af en toe stil mogen staan,
het zwijgen ertoe kunnen doen,
meer moet het vooral niet zijn.

Maar steekt plots een herinnering de kop op:
ik, kuierend aan opa’s knuist op ’t hoefpad,
wij met z’n allen aan de keukentafel smullend
van de gepofte potertjes met worst en mosterd,
die buschauffeur die voor zijn huis in Klundert
plots stopte, uitstapte, wou even gauw
koffie gaan drinken bij moeder de vrouw,

of overvalt het Urker Mannenkoor me onverhoopt
met stromen licht uit een wijd open poort,
blijft mijn oog haken aan een treurend clubje pony’s
of aan een nuffig paardenstaartje voor rood licht,

dan heb ik moeite om me te bedwingen
om niet met schorre stem weer te gaan zingen.

2019


Het is nog erg wennen om mijn enthousiasme te moeten temperen en niet meer dagelijks, maar wekelijks een bijdrage aan deze rubriek te leveren. Het betekent tevens dat ik niet langer 365, maar slechts 52 gedichten kan opnemen en dus scherpe keuzes zal moeten maken. 
Vandaag smokkel ik drie gedichten in één bijdrage: twee van oudgediende Anton Korteweg (1944), van wie ik hier al nieuwe gedichten opnam. Het fascineert mij hoe hij, 75 jaar oud, in zijn nieuwe werk zijn onvermijdelijke lot verwerkt.


Opruiming van een persoon

We rijden vanaf het begin
onontkoombaar op elkaar in,
ik kan niet voor hem aan de kant.

Een botsing is niet te vermijden,
hij gaat me uit het leven rijden.

Onverstoorbaar doet hij zijn werk.
Voor hem ben ik gewoon
een op te ruimen persoon.

Overigens tot mijn verdriet:
ingewikkelder is het niet.






Deze twee gedichten zijn te vinden in het voorlaatste nummer (476, oktober 2019) van literair tijdschrift Tirade. Daaruit is ook onderstaand gedicht afkomstig. Van een dichter die nog niet eerder in deze rubriek voorbijkwam: Alexander Baneman (1986). Al een decennium lang lees ik dat hij werkt aan zijn debuutroman. Tussen je twintigste en je veertigste heb je nog het idee dat de tijd tijdloos is. Net als Veronica – zeg maar Vera – in dit gedicht, wier jeugdige ontwapening botst met zijn – ze noemde hem Die Oscar –ouderlijke gezapigheid. Ingewikkelder is het niet.


Het geheugen

Ze heette Veronica. Zeg maar Vera, gewoon Vera. Hij las haar voor
uit Poe en zij duwde haar tieten in zijn rug. Horrorfilms, documentaires
en cognac. Hoe ze ook weer heette. Ze noemde hem Die Oscar,
hij liet het maar zo. Je hebt een vriendin, dacht ze te moeten zeggen.
Ochtendlicht was straf. Later, zei hij, later later. Biefstuk aten ze
en elkaars stilte, in dure restaurants. Enveloppen op tafel
met de naam van Janine erop. Thee met biscuitjes en hij vroeg
of ze in zijn hoofd bleef met bungelende borsten, spinnenwebben blauw.
Ze vond slechts zacht vlees in zijn kruis, ze studeerde wiskunde. Waarom
hij niet werkte of zo. Tussen drie en vier uur ’s nachts waren de straten
met potlood getekend. Je lijkt wel een eunuch, vond ze toen hij
een nachtelijke bestemming bedacht voor een geziene fietser met hoge rug.
Hoe ze ook weer heette en liters nog meer cognac. Ze was trots op haar
vaders toelage, ze keken naar een quiz. Hij beloofde visioenen, hij kreeg
nieuwe sokken. Willinkwolken in het glas. De dag mocht niet beginnen.
Op waar hij toch woonde moest ze wachten. Leek ze op Janine?
Dagen van haar. Tweeëntwintig jaar oud. Motieven en loopjes,
ja ze had net zo goed Russisch kunnen spreken. Vergeef me,
praat maar door. Wildvreemde mensen opbellen en zeggen dat ze
een miljoenenprijs hadden gewonnen. Jij wil vast iets drinken.
Wat een vette mondafdruk op de rand van het glas. Spleetjes
tussen haar tanden, roken met mondstuk en weer vroeg hij waar
hij was met haar samen. De trambaan spleet de straat in tweeën.
Ze dacht meerdere keren dat hij koorts had en vroeg dan wie ze was.
Gewone Veronica, zeg toch Vera, legde een hand op zijn hoofd. Een boterham
met filet americain en ik hou al van je, denk ik. Hij legde de enveloppen
in nette stapeltjes. Hij sliep. Haar halve woning had slechts één venster en
mentholsigaretten. Hij zei dat hij weer naar huis ging. Wel toen ze sliep.

2019

Archief 2020