Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Met ingang van 1 januari 2020 schrijf ik niet meer dagelijks,
maar wekelijks en laat ik de nummering weer los.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 49 - 348. Jan Boerstoel: Freddie

zaterdag 14 december 2019

Vervolg van gisteren.


De jaren, dat hij nog niet was gevonden,
mijn kind dat nooit de negen heeft gehaald,
en wij nog altijd niet begrijpen konden
hoe hij uit ons leven was verdwaald,
gingen wij iedere vakantie weer
naar dat vervloekte dorp hoog in de Alpen
en zochten hem en vonden hem niet meer…
Freddie.

Tot eindelijk de stilte werd doorbroken
van tien jaar hopeloze strijdbaarheid
en in het Zwitserduits werd uitgesproken
waar wij al bang voor waren heel die tijd.
Een Polizeiamt, alles was er grijs,
een stapeltje, van elke kleur verschoten,
vertrouwde kinderkleren als bewijs…
Freddie.

En daar stond ik dan,
begonnen aan een eerste requiem.
Ja, daar stond ik dan
en wilde schreeuwen, maar ik had geen stem.
Maar die kleertjes dus, zó klein,
maar tóch, die waren wel van hém…
Nou, daar stond ik dan
en ik bedacht steeds weer,
dat ik er nog wás
en hij nu echt nooit meer.

Toen gingen wij hem nóg een keer verliezen
door hem daar niet meer weg te laten gaan,
zijn laatste rustplaats in het dorp te kiezen.
Wij schreven daarom de familie aan.
En verder nog, misschien wat ongewoon,
zijn vriendjes en vriendinnetjes van vroeger,
voor ook hún afscheidsgroet aan onze zoon…
Freddie.

Die kwamen in verrassende getale,
aandoenlijk jong in hun verslagenheid
en vol herinneringen en verhalen,
maar ik had haast meteen al bitter spijt.
Want God, wat deed dat zien van hen me pijn,
zo mooi, zo stralend en zo vroeg volwassen,
zo alles wat hij óók had kunnen zijn…
Freddie.

Dus ik haatte ze,
al was het ook hun schuld natuurlijk niet,
oh, ik haatte ze,
want soms is haat nog sterker dan verdriet.
En die moeders van ze óók,
die hádden nog en ik dus niet…
God, ik haatte ze,
ik haatte ze zó erg,
op dat kerkhofje
daar onder aan die berg.

Die tien jaar leven in het ongewisse,
mijn kind dat nooit volwassen worden mocht,
gold nog niet het voor altijd moeten missen,
omdat er steeds nog naar je werd gezocht.
Nu denk ik vaak en hoe veel zeer doet dat,
hadden ze jou toen maar metéén gevonden,
dan had ik daar, mijn knulletje, mijn schat,
Freddie,
misschien inmiddels vrede mee gehad.

2009

Archief 2019