Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 33 - 234. Liesbeth Lagemaat: Verdwenen lied

donderdag 22 augustus 2019

Vervolg van gisteren.





De mannen schreeuwen dat ze broeders zijn maar ik ken hun ogen
niet, broeders van wie, ze hebben witte doeken om hun hoofd geknoopt

en liggen naast elkaar. De tegelvloer een keihard liefdesbed. De vrouwen,
accolades tekenen de muur. We zijn een schaduw van die schreeuw, wij

zijn het die de halsdoek om die schedel knoopten, die de kinderen verborgen
onder rokken van vrees. Kom en leg me een woord op mijn gezicht, iets

dat klinkt als jonge jongens die in bomen klimmen en zich zat eten aan
onrijpe appels, wat een feest zou het zijn als ik buikpijn met je had nu,

als we acht, of twaalf, en onze taal was nog van water, we konden drinken
zoveel we wilden en niemand ging nog dood. Broeders bestonden niet,

het onuitgelegde zong in ons, we waren een lied zonder dat we wisten
dat er zoiets bestond. De mannen roepen dat hu god de grootste is, en

twee minuten later is hun bed van straatstenen gemaakt, hun wieg
van modder en van bloed. Ik ben een vrouw, een accolade. Ik dek de

mannen toe, mijn kleren zijn te klein, ik was en ben een meisje nog dat
niets wil weten. De koude tegels maak ik met mijn handen warm,

de lippen kus ik en ik weet vandaag hoe bloed smaakt van een dode mond
en dat het toch nog stroomt, nu. En dat jij de mooiste bent van allen.

Ik druk je ogen toe en schreeuw niet. Ik houd mijn lippen op elkaar,
je bloed zal zijn het laatste wat ik van je wist. God is een heel groot lied,

hij gaf ons appels om te eten, het waren er zoveel we kregen er buikpijn van.
Mijn lief, ik plant een boompje voor je in de tuin als de tuin er straks nog is,

en telkens zal ik wachten op het voorjaar op de bloesem, op die witte
bloemen witte knoppen zo wit als de doek die ik bond om je hoofd.

Ik dek je toe met alle kleren alle lippen die ik heb en ik zal niet schreeuwen,
ik zal niet eens meer durven zingen.

2018


Eerste van de cyclus liederen over de Soldatenvrouw: hoe ze spreekt of zingt, vijf maal. Net als het gedicht van gisteren helemaal geschreven is disticha, waarmee de hele bundel (van maar liefst 96 pagina's) is opgebouwd. Prachtige poëzie van een dichteres die ik nauwelijks kende, terwijl Abri haar zesde bundel is en zij al twee keer is bekroond: voor haar debuut, Een grimwoud in mijn keel (2005), met de C. Buddingh’-prijs en voor Nachtopera (2015), haar vijfde bundel, met de Karel van de Woestijne-prijs. 

Archief 2019