Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 33 - 233. Liesbeth Lagemaat: Het bedje van...

woensdag 21 augustus 2019

Het bedje van de schilder

Voor de oude Pyke Koch



I

Je had nog extra eieren laten komen vanochtend. Ze hoefde niet aan te bellen,
kon de mand zo de hal inschuiven. De deur op een kier. Later op de dag zou je

naar beneden, echt. De tempera. Je zou exact de juiste hoeveelheid nemen
dit keer. In je hoofd bonkt Florentijns groen op aquamarijn. Til een vinger

op, dacht je, soepelheid kan je ook testen op een beddenlaken. Het stroomt
niet. Het bloed is van lijm en plakt aan aderwanden. Til een vinger op,

denk je, het tintelt in de top, je vouwt een hand over die vinger en intussen
vlokt het avond, ze sjouwen dat paneel van schemering elke keer sneller aan je

raam voorbij en toch zag je niets, het moment waarop blad en kruin en wolk
vergruizen, een soep van grafiet. Dan kan het misschien beter, morgen.



II

De tijd is een kwartslag gedraaid. Niet de gracht daar beneden of de kraai aan
zijn draad in de wolk, niet dat geniepige loof dat nooit een keer stilhoudt,

de tijd zelf. Er ligt een kwak diep chocoladebruin onder de vensterbank maar
die kwak is daar vanzelf gekomen, goot zich als mislukte pigmentpudding over

het Perzisch tapijtje – weer honderden wolgeschetste vogeltjes vermoord.
Was ze maar hier. Ze zou die sprei stevig hebben vastgepakt en een zwaai en

zelfs die pigmentpudding onder de vensterbank was weg. Zo kan ze alles wat
niet goed is verdonkeremanen. Was Utrecht maar Antwerpen. Ze zou je dove

vinger in haar mond hebben genomen de kale lamp in de kamer hebben 
gedoofd ze zou je zachtjes tussen je schouderbladen hebben getikt, een blik



III

naar buiten. Dat is het toch wat je wilt zien Koch, mijn rare Hollander.
Die kraai het lijkt wel of hij met een touwtje vastzit aan die wolk ’t is net als

met alles dat u maakt Koch, een mens moet er zijn hoofd een slag bij draaien
dan past het precies. – Ze zou – je strijkt over het laken, haar wang. Korrelig

van de schmink, de dure parfum die je voor haar had meegebracht staat nog
steeds op de plank boven haar spiegel, geen druppel daarvan vermorsen,

ze koestert de flacon als een Madonnaflesje vol Lourdeswater. Bertha.
Zo’n zachte ogen. Je draait je hoofd een kwartslag, zoals ze zegt. Ineens

is de lucht rood als die staatsiejapon van De Geer. Uit de wolken druppelt
bloed. Een kraai loopt op zilveren schoentjes naar een rugbybal te schoppen,

rechts bovenin staat een olijfgaard in bloei.



IV

De trappen – je moet toch die trap eens af om die eieren te verwelkomen,
die staan daar ook maar naakt en wit in hun korfje te sidderen.

Een vinger, probeer hoe dat gaat, denk dat de lakenplooi een penseel is, dikke
duim, de wijsvinger spits. Denk dat. Buiten staat de gracht in lichterlaaie – 

Dek me toe Bertha maar ze is nergens te bekennen. De nacht wordt violet en
overal in de kamer staan ladders. Het regent olijven. Onder je matras wordt

een rugbymatch beslecht: roodwit heeft gewonnen. En dat in de sneeuw. Kijk.
Op het tafeltje. De nonnetjes glijden over het gras. Torretje torretje. Zij weten

hoe dat is, balanceren, zij ook. Morgen vraag je aan de eiervrouw of ze je
trapezeschoenen wil meebrengen. Dat is waar het om gaat, deze dagen.

2018


Het bedje van de schilder, Voor de oude Pyke Koch. Het kan niet anders of het gaat over de zieke schilder aan het eind van zijn leven (1901-1991). Begin jaren tachtig kreeg hij de Ziekte van Alzheimer waardoor zijn geestelijke vermogens snel afnamen en hij noodgedwongen stopte met schilderen. Het laatste decennium leefde hij een teruggetrokken bestaan; de laatste drie jaar ook nog eens zonder het gezelschap van zijn vrouw Heddy, die in 1988 overleed.




In de eerste vier gedichten van haar bundel Abri situeert Liesbeth Lagemaat (1968) de schilder in zijn bed. Daar komt het allemaal nog één keer terug: zijn fantastische techniek en het mooie materiaal (olieverf, tempera, pigment…), de bewondering voor het Florentijns groen en het werk van Piero della Francesca (dat hij bestudeerde in Italië), zijn grote werken, zoals de portretten van mensen als Bertha van Antwerpen en H.M. de Geer (Heddy, zijn echtgenote) en situaties als de scrum op het rugbyveld…

Bertha van Antwerpen 1931)


 Portret H.M. de Geer (1940)
 


Scrum III (1969)


De schilder zou nog één schilderij willen maken. Je had nog extra eieren laten komen... Voor het ei-pigment. Later op de dag zou je naar beneden, echt…Maar hij kon allang niet meer. Ook het zicht is allang niet meer in orde. Hij ziet het nog lichter en donkerder worden, maar dat is te weinig om het penseel zijn werk te laten doen. Wat kan hij nog wel? Zijn vinger bewegen, doen alsof hij schildert: Til een vinger op, denk je […]. Een vinger, probeer hoe dat gaat, denk dat de lakenplooi een penseel is…

Archief 2019