Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 32 - 229. Lieven Tavernier: De verdwenen karavaan

zaterdag 17 augustus 2019

[Beluister Jan De Wilde, 1991]
[Beluister Lieven Tavernier, 1995]


Ik sliep in 't diepe duister, in 't midden van de nacht,
stond iemand in m'n kamer en zei: ‘Je wordt verwacht,
de karavaan staat klaar, kom op en kleed je gauw,
we staan op jou te wachten, ja d'er is nog plaats voor jou.’

En toen ik uit m'n huis ging, zag ik een groepje staan, 
herkende hun gezichten en wist nog ieders naam,
het waren oude vrienden die ik nooit meer had ontmoet 
en ook m'n jeugdvriendinnen stonden wachtend op de stoep. 

Iemand gaf een teken en wij vertrokken toen,
de vrieslucht sneed bijtend door m'n jas van licht katoen, 
geen mens was in de straten, er klonk nergens geluid,
witte vlokken vielen, veegden onze sporen uit.

En weldra lag de stad al heel ver achter ons, 
we liepen zwijgend verder langs stilstaande wagons 
en verder langs de velden trok de karavaan,
de wijzers op de toren bleven onveranderd staan.

Een kind dat niet kon slapen, heeft ons die nacht gezien 
en hoe op onze schouders de sneeuw zacht neder viel 
en hoe m'n jeugdvriendinnen als zusters dicht bijeen 
m'n liefdesbrieven lazen, lieten vallen in de sneeuw.

Ik keek naar hun gezichten, bekeek ze van dichtbij,
ze leken zacht en rustig, glimlachten tegen mij,
geen droefheid, geen vermoeidheid, de kou deerde hen niet,
ze liepen zonder aarzelen naar een onbekend gebied.

En plotseling werd ik angstig, al wist ik niet waarom,
en net toen ik wou vragen of ik bij hen blijven kon,
lieten ze me achter, verdwenen één na één,
er werd geen woord gesproken, maar iemand knikte zacht van neen.

M'n liefste kwam mij wekken, ze zei: 'Je sliep zo diep.'
Ik wou m'n droom vertellen, ik vond de woorden niet,
ik vouwde m'n handen voor m'n gelaat 
en weende zacht en bitter, om de verdwenen karavaan.

1991




De Vlaamse dichter-zanger Jan De Wilde (Aalst, 1944) zat in 2015 vijftig jaar in zijn vak en ter gelegenheid daarvan verschenen een 2cd, een dvd en een biografisch boek met al zijn liedteksten. Het bleef hier maar op tafel liggen tussen de nieuw verschenen boeken en vandaag maak ik een andere keuze door het weg te leggen. Maar niet zonder er een lied uit te kiezen: het bovenstaande. Net als deze twee (luister hier en hier) geschreven door Lieven Tavernier, die het vier jaar na Jan De Wilde ook zelf opnam.

Archief 2019