Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 27 - 192: Martine Bijl: Lazare en Cécile

donderdag 11 juli 2019

[Beluister hier de vertaling van Martine Bijl, 1970]
[Beluister en bekijk hier het origineel van Anne Sylvestre, 1966]


Men zegt dat Lazare en Cécile 
Op een maanverlichte nacht 
Zwijgend vluchtten uit het dorpje 
Waar ze waren grootgebracht. 
Dat de maan Cécile tooide 
Met een stralend bruidstoilet, 
Rond Lazare een mantel plooide 
Met de zilveren dauw bezet. 
Ach - men had wel in de gaten 
Dat Cécile een rare was, 
Dat ze met de vogels praatte 
En soms danste in het gras. 
En men lachte om Lazare 
Die zijn bootjes van papier 
In het zwarte ven liet varen 
En dan straalde van plezier. 

Men zegt dat Lazare Cécile 
Aansprak op een zomerdag, 
Dat Cécile hem herkende 
Bij de eerste oogopslag. 
Want zijn wereld was de hare - 
Men bekeek hen met wat spot,
Maar men had niet veel bezwaren 
Ach, de dwaas zoekt toch de zot. 
Toen de eerste bladeren vielen 
Ging de roddel door de straat 
Dat ze dikker werd, Cécile 
En de spot sloeg om in haat. 
Daar beneden zou ze branden, 
Die de duivel had bemind 
Maar Cécile vouwde haar handen 
Om haar ongeboren kind. 

Men zegt dat Lazare en Cécile 
Op een maanverlichte nacht 
Zwijgend vluchtten uit het dorpje 
Waar ze waren grootgebracht. 
En ze gingen op de vleugels 
Van de late zomerwind 
Naar een land achter de heuvels, 
Naar een toekomst voor hun kind.
Misschien dat het dorp verwachtte 
Dat ze boetten voor hun daad, 
Misschien zag men in gedachten 
Al hun lijkstoet in de straat. 
Maar wie lang heeft moeten leven 
In een diepe eenzaamheid 
Wil zijn leven niet meer geven 
Als de liefde hem bevrijdt. 

Men zegt dat Lazare en Cécile 
Zijn getrouwd diezelfde nacht, 
Bij het ven waar ze zo dikwijls 
Op elkaar hadden gewacht. 
En de maan vormde twee ringen 
Waar zijn beeld in tweeën brak 
In de rusteloze kringen 
Van het zilveren watervlak. 
Ik alleen zag hoe ze gingen 
Want ik had hun vlucht verwacht. 
Nooit zal iets het beeld verdringen 
Van hun schoonheid in die nacht 
O Cécile, o Lazare, 
Wees gelukkig met je kind, 
Want een hart kent geen bezwaren 
Als het zondermeer bemint.

1970


Martine Bijl (lees ook hier en hieris overleden. Daar wil ik nu (als ik dit schrijf, is het 4 juni) nog even geen woorden voor hebben. Dus laten we haar zelf spreken. Met De Dood zegt..., met die twee regels die de laatste jaren zo op haarzelf van toepassing waren:

Hij neemt een hap uit je verstand,
Hij likt de glans van je gezicht.

Lees hier.

En met een van haar mooiste liederen: haar eigen vertaling van Anne Sylvestres Lazare et Cécile. Afkomstig van deze LP, uit 1970:


Archief 2019