Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 24 - 172. Louis Davids: Het hondje van Dirkie

vrijdag 21 juni 2019

[Kijk en luister hier: Wim Sonneveld en gitarist Jan Blok, 1967.]


Kleine Dirkie had een hondje, door een auto overreden,
Met gebroken poot in 't straatgewoel gevonden.
Met twee houtjes en een stukkie van een ouwe gonjezak
Had ie 't pootje eerst gespalkt en toen verbonden.
Daarna had ie 't dier heel zacht opgepakt en thuisgebracht.
Doch vervuld van stille angst en diepe zorgen,
Zei die: "Mormel, had ook uitgekeken voor je overstak",
Maar 't voorzichtig in een zolderhoek geborgen.

Als ie boterhammen kreeg, verborg ie ied’re keer een stukkie
Voor zijn zieke kameraad onder z’n kieltje
En dan sloop ie op z'n tenen met een koppie zonder oor
Naar de zolder en zei: "Vreet nou maar, schlemieltje."
Hekkie keek 'm nou en dan met z'n koppie scheef ’s an
Die filantropie kon 't mormel niet verwerken.
Toen ie op een keer wou blaffen, siste Dirkie: "Hou je bek!
Je ligt zo uit je pension als ze ’t merken."

In een gammel stijfselkistje stopte hij ’t skelettig diertje,
Want zijn moeder mocht het helegaar niet weten.
Als ze Hekkie had gezien (hij kende moeder op een prik)
Had ze ’t beest meteen het steegje in gesmeten.
Al zo vaak had ie verzocht of ie ’n hondje hebben mocht,
Want die beesten zijn net mensen soms, zo pienter.
Dirkie hield niet van de schoffies uit de buurt, die vonden ‘m maar raar
En ze scholden “sloome Hein” en “dooie diender”.

Op een keer kwam Hekkie onverwachts, zijn poot nog in het verband,
De kamer in, een hondje laat zich niet verbieden.
Moeder zei: "Nou is de boot an, kijk me zo'n scharminkel an,
Het lijkt waarachtig wel de Joodsche Invalide.
Van wie hoort dat stuk gespuis? Straks heb ik Artis in me huis!"
Dirkie stamelde, hij kon 't amper zeggen:
"Toen ie onder ‘n auto lee, dacht ik, ‘k neem hem effe mee,
Anders hadden ze 'm zo maar laten leggen."

"As 'ie binnen 't uur mijn huis niet uit is, gaat 'ie in de plomp,"
Verklaarde ma, "dat is wat voor mij, die nare krengen."
Toen zei pa gedecideerd: "Wanneer zijn poot genezen is,
Zal ik 'm persoonlijk naar 't asiel gaan brengen."
Dirk zei liefdevol: "Nou teef, d’eerste maand ben jij weer safe."
Intuïtief was hij van de patiënt gaan houden.
Moeder schamperde: "Zeg ober, geef u Hektor ‘n stukkie kreeft,
Man, je moet een villa voor 'm laten bouwen."

Kleine Mientje, 't jongste zusje, noemde Hekkie smalend “viezerik”,
Dan hulde Dirkie zich in hooghartig zwijgen.
Soms werd het hem wel te machtig en dan kreet ie: "Treiterkop,
Wat is vies, kijk jij maar liever naar je eigen."
Eens beet Hek in Miesjes pop, 't meisje gaf het beest een schop,
Dirk vloog op en loeide: "Valse salamander,
Raak dat hond nog 's aan, zal ik je effe kreupel slaan.
Als ie slaag krijgt, is 't van mij en van geen ander."

Hekkie leefde ongestoord te midden van conflicten voort,
Schoon onbewust dat ze de oorzaak was van rampen.
D’Een vervolgde haar met haat, de ander werd d'r kameraad,
‘t Huisgezin had zich gescheiden in twee kampen.
‘t Pootje was weer gecureerd, Dirkie had de hond geleerd
Mooi te zitten en nou was ie reuzebranie.
Vader zei soms: "Klein serpent, zo'n beest is toch intelligent."
"Ja," zei moeder, "Ga d'r mee naar Sarrasani!"

Na zes maanden stille oorlog heeft het noodlot zich voltrokken
Hekkie had ‘iets raars’ gedaan in moeders kamer.
Bertus, 't oudste broertje, zag het en riep: "Kijk eens wat een zwijn,
Op de trijpen stoelen, moe", hij greep een hamer.
Wierp die Hekkie naar z'n kop, ‘t beestje vloog schuimbekkend op,
Viel toen neer, op dat moment kwam Dirkie binnen,
Bleef als vastgenageld staan, keek lijkwit zijn broertje aan
Niemand wist toen wat met Dirkie te beginnen.

Zacht, al was 't een kostbaar kleinood, heeft toen Dirk 't verstarde beest
Naar zijn hoekie op de zolder meegenomen.
's Avonds in het donker groef ie in het Vondelpark een kuil
In een eenzaam laantje onder iepenbomen.
Met een snuitje bleek als was, lei die Hekkie onder ’t gras
En zei trillend, beide oogjes toegeknepen:
"Hekkie, het was niet mijn schuld, mensen hebben geen geduld
Arm dier, ze hebben jou thuis niet begrepen."

1925


Het typoscript is van mij. Negen strofen van acht regels. Maar… anders dan bij poëzie blijkt binnenrijm in liedteksten op zoveel ontzag te rekenen, dat het meteen in het beeld zichtbaar moet zijn. En dus lees je in bloemlezingen met Het hondje van Dirkie altijd als eerste strofe:

Kleine Dirkie had een hondje, door een auto overreden,
Met gebroken poot in 't straatgewoel gevonden.
Met twee houtjes en een stukkie van een ouwe gonjezak
Had ie 't pootje eerst gespalkt en toen verbonden.
Daarna had ie 't dier heel zacht
Opgepakt en thuisgebracht.
Doch vervuld van stille angst en diepe zorgen,
Zei die: "Mormel, had ook uitgekeken voor je overstak",
Maar 't voorzichtig in een zolderhoek geborgen.

Niet acht, maar negen regels!
En strofe zeven:

Hekkie leefde ongestoord 
te midden van conflicten voort,
Schoon onbewust dat ze de oorzaak was van rampen.
D'een vervolgde haar met haat,
De ander werd d'r kameraad,
't Huisgezin had zich gescheiden in twee kampen.
't Pootje was weer gecureerd,
Dirkie had de hond geleerd
Mooi te zitten en nou was ie reuzebranie.
Vader zei soms: "Klein sepent,
Zo'n beent is toch intelligent."
"Ja," zei moeder, ga d'r mee naar Sarrasani!"

Zelfde couplet, maar opeens twaalf regels!

Kortom: onherstelbaar verbeterd. Strofe 3 hoor je Sonneveld overigens niet zingen. Ik ben benieuwd of Louis Davids die zelf wel zong. Lees hier verder.

Archief 2019