Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 24 - 167. Carolyn Forché: De kolonel

zondag 16 juni 2019

Wat je gehoord hebt is waar. Ik ben in zijn huis geweest.
Zijn vrouw droeg een blad met koffie en suiker. Zijn
dochter vijlde haar nagels, zijn zoon ging ’s avonds op
stap. Er waren dagbladen, honden, een pistool op het kus-
sen naast hem. Er was een politiefilm op de televisie.
In het Engels. Er waren gebroken flessen ingemetseld in
de muren om het huis, om de knieschijf van een man af te
kappen, of zijn handen tot kant te versnijden. Voor de
ramen zaten tralies zoals bij slijterijen. We dineerden,
lamskarbonade, goede wijn, er stond een gouden bel op ta-
fel om de meid te sommeren. De meid bracht groene mango’s
binnen, zout, een bepaald soort brood. Er werd mij ge-
vraagd wat ik van het land vond. Er was een korte reclame-
spot in het Spaans. Zijn vrouw ruimde op. Er werd toen even
gepraat over hoe moeilijk het tegenwoordig was om te regeren.
De papegaai zei hallo op het terras. De kolonel zei dat hij
zijn bek moest houden en schoof zijn stoel van de tafel.
Mijn vriend zei met zijn ogen: zeg niets. De kolonel kwam
terug met een papieren zak zoals die gebruikt wordt
voor boodschappen. Hij strooide een hoop mensenoren op
tafel. Ze leken op gedroogde perzikhelften. Het kan niet
anders omschreven worden. Hij pakte er een beet en zwaaide
die heen en weer voor onze ogen, en liet hem vallen in een
glas water. Hij kwam daar weer tot leven. Ik ben het zat om
hier voor joker te staan, zei hij. En wat de rechten van wie
dan ook betreft, zeg tegen jullie mensen dat ze m’n rug op
kunnen. Hij veegde de oren van de tafel en hield de rest van
zijn wijn tegen het licht. Iets voor jouw poëzie, of niet?
zei hij. Sommige van de oren op de vloer vingen dat stukje
van zijn stem op. Sommige van de oren waren tegen de grond
gedrukt.

1978


Alfred Schaffer:
Altijd weer die vraag: wat is poëzie, waarover moet ze gaan? Als ze al iets moet. Hoe bereik je de lezer? Hoe bereik je zoveel mogelijk lezers? Kun je lyrisch dichten over de banaliteit van het kwaad? Kan een aangrijpend gedicht wel of geen pamflet zijn? Is poëzie een uiting van wijsheid, of nieuwsgierigheid? Is ze cultuurgebonden? Moet poëzie clichés omzeilen, voorspelbaarheid vermijden? Of zijn het cliché en de voorspelbaarheid juist van groot belang, omdat ‘het’ een keer gezegd moet worden? Wat is goede poëzie? In India, Italië, Denemarken, Peru, Kenia, Irak? Vanuit welke politieke, sociaal-economische structuur dicht je?
Tijdens ‘Dancing in Other Words Poetry Festival’, het poëziefestival van Breyten Breytenbach, hier in Zuid-Afrika, kwamen we in 2013 tijdens een vraaggesprek terecht in een Babylonische spraakverwarring naar aanleiding van juist deze kwesties en vragen. Wat weer bewees dat het, buiten het gedicht om, onmogelijk is om óver poëzie te spreken zonder in valkuilen te trappen, misverstanden te creëren. Tijdens dat festival las Carolyn Forché uit de Verenigde Staten onder andere ‘De kolonel’. Ik had het niet eerder gehoord. ‘Ze leken op gedroogde perzikhelften’; kan dat, zo’n briljant beeld? Ja, het kan, het móet zelfs. Het maakt dit gedicht gruwelijk, onthutsend, onvergetelijk.


Voor verdere toelichting: lees hier.

Archief 2019