Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 51 - Tom Lanoye: Amnesie [*]

maandag 24 december 2018

Laten wij, gewoon eens voor de lol, ons geheugen
vergelijken met een jakhals: vreet ook hij zich niet
aan desnoods de dierbaarste kadavers vol? Daarna -

het spijt me, maar het is niet anders - schijt hij
ze uit en pretendeert dan dat zijn drol datgene is
wat wij beminden. Daar kunnen wij, dat zult u ook,

wel vinden, ons maar moeilijk neer bij leggen. Wij

willen onze doden terug en wel zoals ze waren. Ze 
hoeven zelfs niet eens te leven, al zijn er geen 

bezwaren zo ze 't doen. Als ze maar blijven

in den lijve. Lichaam, glimlach: vlees. Alleen zo
wensen wij nog te bewaren. Kusbaar hun lippen, 

al zijn ze koud misschien, of droog. Op elke oude
wond een nutteloze pleister, het kunnen kammen 
van hun immer dunner wordend haar. Tot het einde

onzer dagen hen belagen, met ons despotisme van 
het klein gebaar: op tijd en stond een steekpan voor
de stramme vader, een nette pekinees voor tante Saar.

1995


Voor toelichting: lees hier


 [*]
Toen Lanoye stadsdichter was van Antwerpen (januari 2003-januari 2005) herschreef hij dit gedicht als themavers voor Allerzielen en elke andere dodendag. Zoek de tien verschillen:

Laat ons geheugen zich niet somtijds vergelijken met
een jakhals? Ook die vreet zich aan wat bestaan
heeft vol, de dierbaarste kadavers eerst. Daarna -

het spijt me maar het is niet anders - schijt hij
ze uit en pretendeert dan dat zijn drol datgene is
wat hij beminde. 't Is in dat minder, dat een mens

zich niet kan vinden. Wij willen onze doden terug
zoals ze waren. Ze hoeven zelfs niet eens te leven -
al zijn er geen bezwaren zo ze 't doen. Als ze maar blijven

in den lijve. LIchaam, glimlach: vlees. Eeuwig kusbaar
hun lippen, al zijn ze koud misschien of droog - zó
wensen wij geliefden te bewaren. Om hen tot het einde

onzer dagen te belagen met ons despotisme
van het klein gebaar: het kunnen kammen van
hun immer dunner wordend haar, een pleistertje

op elke bloedloze wond of blaar. Het horen
van gedichten in hun obstinate zwijgen. En het
lezen van verlangen in hun oeverloos gestaar.
 

Archief 2018