Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Met ingang van 1 januari 2020 schrijf ik niet meer dagelijks,
maar wekelijks en laat ik de nummering weer los.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 41 - Menno Wigman: Het kan hier zoals overal

maandag 15 oktober 2018

Ik heb vanochtend voor je huis gestaan
We deelden jarenlang dezelfde buurt.
Dezelfde wolken prijkten voor je raam.
We namen geld op uit dezelfde muur
en leefden even scheef als mensenschuw.

Geen spoor meer van de lakens voor je raam
of van dat briefje met die vrouwennaam.
´Daniëlle, ik hou van je.´ Weggegrist.
- Je was de oudste van negen. ‘Een vreemde eend’,
maar zo begaafd. Een vader bij de marine

die naar Indië werd uitgezonden, later in Australië
zijn vrouw opliep, gewonden op zijn netvlies,
het hield niet stand. Je jeugd bij pleeggezinnen,
de zieke adem van een internaat. En toch,
toch wist ook jij een vrouw te vinden.

Laat ik hier niet over je zoon beginnen.
Wat is er in het licht niet allemaal mislukt?
Ik loop naar huis, begeef me naar het raam
en zie de nu al jaren geblindeerde ramen
aan de overkant. Het kan hier zoals overal.
Dat je mag rusten in een nieuw heelal.

2017


Zoals gister moet het dus niet, maar zoals hieronder moet het wel.

Van de site van De Eenzame Uitvaart, een verslag van F. Starik:

Eenzame uitvaart # 220, verslag
Begraafplaats St. Barbara, dinsdag 29 augustus, 10.30 uur
I.M. J. W. H.
Dichter van dienst: Menno Wigman

Op 16 augustus werd het lichaam van de heer H. door de politie levenloos in zijn woning aan de Postjesweg aangetroffen. Het stoffelijk overschot was ‘niet meer toonbaar,’ wel kon worden vastgesteld dat hij een natuurlijke dood was gestorven. Hij werd geboren in Amsterdam, op 31 juli 1947.
Hij is ooit getrouwd geweest, er kwam een kind uit de verbintenis voort. Hij is in 1983 van zijn vrouw gescheiden, zijn zoon vertelde aan de Dienst: ‘Ik wist dat hij mijn vader was, maar daar is alles mee gezegd.’ Er zijn nog negen broers en zussen, met geen van hen onderhield hij contact.
Bij leven was hij fotograaf, een vogelspotter, in zijn huis werden naast vele afbeeldingen van vogels een aantal camera’s aangetroffen. Een van de broers vond hem ‘een vreemde eend.’ Hij genoot, naast zijn AOW een pensioen van de PGB. Hij was lid van Natuurmonumenten.
De woning was vies, het woord alcohol valt. Voor de ramen hingen lakens, op een van de ramen was een liefdesverklaring aan een onbekend gebleven vrouw aangebracht: ‘Daniëlle, ik hou van jou.’

Zoveel weet ik als ik Menno vraag, die daar vlakbij woont. Hij aarzelt. De dag na de melding belt de Dienst nog eens: er heeft zich een zus gemeld – die wil graag komen. En ze was blij te horen dat er door de Dienst alvast een dichter was besteld, ze kent het initiatief, sprak haar waardering erover uit. Ik krijg een telefoonnummer in Alkmaar. ‘Het is een mooi verhaal hoor,’ zegt Gerald opgewekt, ‘bel haar maar.’ Dat doe ik, ik krijg een meneer aan de telefoon die eerst de muziek zachter wil zetten, hij luistert naar Pieter Wispelwey, iets met Clara punt B. E., ik begrijp niet precies op welk muziekstuk hij doelt. Hij noemt zich haar partner, hij verwachtte mijn telefoontje al. Alleen is zijn partner nu even niet thuis, die komt pas vanavond weer terug. Zal ik dan morgen maar bellen?
Ondertussen bevestigt Menno dat hij het gedicht wil schrijven, mooi, dan mag hij morgen met Alkmaar verder bellen. We houden contact, zeggen we. ‘Het was inderdaad een heel verhaal,’ doet Menno de volgende middag verslag, iets met zijn vader die bij de marine zat, naar Indonesië, werd uitgezonden, in Australië moest repatriëren, een mislukt huwelijk met een vrouw die hij daar ontmoette, hijzelf een moeilijke jongen, pleeggezinnen: tegenwoordig zou je hem waarschijnlijk moeilijk opvoedbaar noemen, hoogbegaafd ook, hij tekende en schilderde graag, hij heeft nog een tijdje op het conservatorium gezeten, plak er maar een etiket op. In mijn aantekeningen zie ik ook nog ‘gebroken aorta’ en ‘andere zus’ staan, kan daar nu ik dit verslag schrijf geen chocola meer van maken. Ik wist niet dat een aorta breekbaar was. Maar de zus zal komen, en vast haar partner ook meebrengen. Fijn. Ze denkt niet dat hij extreem veel dronk. ‘In ieder huis vind je wel een paar lege flessen.’
Dinsdag. Ik fiets Menno tegemoet om samen naar de begraafplaats terug te fietsen, daar treffen we de familie uit Alkmaar al, twee zussen, de partner, een vriendin, we schudden handen, aardige mensen, als gedacht. We praten over het eenzame einde van die lang uit het oog verloren, moeilijke broer, en dat er dan ineens een brief van de Gemeente komt, van Team Rampen, Uitvaart en Pension. ‘Dat vergeet je nooit meer. Die gaat in het archief.’
We lopen naar binnen, opnieuw op Elbow, sorry, we hebben die vogels toch nodig. De uitvaartleidster gaat ons voor, kondigt Menno aan, vertelt iets over de aanleiding tot zijn gedicht, tot in het gedicht. 

Johnny Cash zingt Hurt, met die aangrijpende modulatie naar wat mij betreft de kernzinnen van het lied: You could have it all. My empire of dirt. Claude Debussy besluit met La fille aux cheveux de lin, we verlaten de aula de ondertussen gulle zomerochtend in, achter de kist aan, Mounir voorop, de drie vrouwen gearmd dicht bij de kist, de uitvaartleidster daar weer achteraan, Menno en ik besluiten de rij, de partner cirkelt overal omheen, maakt foto’s, sluit zich dan bij de gearmde vrouwen aan, daar staan we verzameld rond de kist. Iemand vindt het zonde als het gedicht op de kist mee naar beneden zou gaan, Menno zegt dat hij twee kopietjes van het gedicht bij zich draagt. Dan is het mooier om hem het gedicht mee te geven, mee naar beneden, vindt iedereen, daar gaat de kist al, met een eenzame roos erop en het gedicht, keurig in een envelop gestoken. De uitvaartleidster reikt een eerste schepje zand aan Menno, ik volg, presenteer het kleine gezelschap ieder een portie, ‘bonk,’ zegt de partner, als zijn portie de schep verlaten heeft.
Ik loop met de uitvaartleidster voor de menigte uit naar de koffiekamer. ‘Mooi,’ zegt ze, ‘ik vond het mooi.’ Ik beaam dat. Het is ook wel eens fijn als er mensen echt om de dode moeten huilen, dat er tranen zijn, emoties, het maakt de gebeurtenis minder vreemd, minder surreëel, zou je kunnen zeggen, echter, meer waar: er is echt iemand doodgegaan.
Menno en ik krijgen in de koffiekamer allebei een klein cadeautje, een boekje, een set kaarten, och och och, een cadeautje, dat hebben we geen van beiden ooit bij een eenzame uitvaart gekregen. Dat is zo lief! Daarbovenop komt ook Jacqueline Degenkamp even buurten, nog een omhelzing, blij dat je er weer bent, ja, ik ook, blij dat ik er nog ben.

Als we traag peddelend naar de bewoonde wereld terugkeren, vertelt Menno dat een van de zussen hem gevraagd had of we die kostuums van ons soms van gemeentewege verstrekt hadden gekregen, we zagen er zo netjes uit, vond ze. We lachen, maar niet uitbundig. Niet alles in het licht is toch mislukt.

En nu weet ik ook wat Pieter Wispelwey speelde, of niet wat hij speelde, maar waar, op welke zender: bij de partner had die Belgische klassieke zender opgestaan, ik geloof dat die Klara.be genoemd wordt, ik dacht in de richting van Schubert, Schumann, was een van hen niet ooit met een Clara getrouwd geweest, of had een hunner met haar een ongelukkige liefde beleefd? Pieter Wispelwey, die heeft nog bij mij op school gezeten, merkt Menno op, opdat alles mooi rond is, opdat alles mooi klopt, in dat lage, herfstige licht.

Archief 2018