Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 38 - Roosbeef: Raak mij aan

zondag 23 september 2018

[Luister hier: live 2013]
[Luister hier: Radio-1, 2013]
[Luister hier: Televisie, 2013]
[Luister hier: Televisie, 2013 – extra]
[Luister hier: single, 2107]


Raak mij aan
Raak mij met alles aan
Laat mij niet ongedeerd
Wees geen held
Blijf weg van het open veld
Vaar niet over zee
Ah, doe niet mee

En leer mij hoe ik van iemand houden moet
Laat mij niet ongespaard
Leer mij hoe ik met iemand vrijen moet
Da's alles wat ik vraag

En wees maar stil
De mensen horen ons
De mensen villen ons
Maar onze liefde bewijst dat we nog niet dood zijn
Wees maar stil
De mensen ruiken ons
De mensen krijgen ons
Ja liefste lik onze wonden schoon voor ze komen

Krenk mij diep
Scheld mij de huid maar vol
'k Wil voelen of ik voel
Vind mij mooi
Kan niet meer zonder mij
Maar schrijf het niet in in een of ander lied
O alsjeblief

En raak mij aan
Raak mij met alles aan
Laat mij niet ongedeerd
Wees geen held
Blijf weg van 't open veld
En vaar niet over zee
Ah, doe niet mee

Wees maar stil
De mensen horen ons
De mensen villen ons
Maar onze liefde bewijst dat we nog niet dood zijn
Wees toch stil
De mensen ruiken ons
De mensen krijgen ons
Ja liefste lik onze wonden schoon voor ze komen

2013


In 1991 zong Doris Baaten het lied Joodse vrouw, dat daarna ook is vertolkt door Lucretia van der Vloot en door Jenny Arean. Een tekst van George Groot over een vrouw die vertelt dat zij, als jong meisje in de oorlog, bang was te sterven zonder de liefde gekend te hebben. De eerste twee strofen:

Ik ben een kind van joodse ouders, 
toen de Duitsers kwamen was ik tien.
Ik ben naar Friesland toegebracht; 
ik heb mijn ouders nooit meer gezien.
Daar in het noorden was ik veilig,
dat zei de illegaliteit,
maar ik bleef altijd op mijn hoede, 
op het ergste voorbereid.
Wat een gruwelijke jaren, 
zo alleen en onbemind;
tussen stugge boerenzonen 
bleef ik toch dat vreemde kind.

’s Avonds keek ik in de spiegel, 
ik zag het zelf, werd langzaam groot:
volle lippen, mooie borsten, 
maar in de schaduw van de dood.
O mijn god, ik wou niet sterven 
zonder de liefde van een man,
maar als de Duitsers me straks vonden, 
nou, dan ging er ik dus an.
Om het toch één keer mee te maken 
heb ik de jongste boerenzoon verleid;
ik dacht: dan kan ik daarna doodgaan, 
maar na een maand werden we bevrijd…

Ook Raak mij aan van Roosbeef (= Roos Rebergen, 1988) heeft deze thematiek: niet per se bang zijn om dood te gaan, maar vooral bang om de liefde niet te hebben gekend, om onaangeraakt te blijven. Alleen nu niet verteld door iemand die terugkijkt op haar leven, maar door iemand die het allemaal nog wenst mee te maken.

Een van de trouwe lezers van deze rubriek sprak me deze zondagmiddag - als ik dit schrijf, is het 16 september - aan. Hij is een groot literatuurliefhebber, zeker ook van poëzie die raakt. Hij vertelde vol vervoering dat hij Roosbeefs lied – in 2013 geschreven voor de 4 mei-herdenking – zo mooi vindt. Reden voor mij om vanavond nog een keer naar de verschillende uitvoeringen te luisteren. En daarna om het te plaatsen.


 

Archief 2018