Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 23 - Simone Atangana Bekono: Wrijving VII

zaterdag 16 juni 2018

Dat ik uit jagen ging en dat ik geschikte laarzen kocht en een warme jas
en dat ik geen tent meenam maar een stuk zeil dat ik opgerold op mijn rug droeg
en dat ik in de voetstappen van de beer door de regen liep

Dat het bos zich bewust was van mijn geur
en dat mijn lichaam zich bewust was van het bos
en dat de vogels besloten zich eerbiedig te gedragen en hun snavels dichthielden
en dat de beer zich bezighield met de vis in de rivier, het schoonspoelen van zijn poten
waar bloed en poep en mos aan kleefde

Dat de ree die voor mij uit sprong zich niet bedreigd voelde
maar haar vacht tegen de boomschors aan wreef zodat ik in de buurt kon blijven
en de bomen precies genoeg zonlicht toestonden
en de zon net warm genoeg scheen om het ijswater van de takken
naar beneden te doen druppen, het kraken van het stuk zeil op mijn rug te maskeren

Dat ik tegen het vallen van de avond
met toegeknepen ogen
het licht op de snuit van de ree zag schijnen
en dat de ree stilstond en van de laatste zon leek te genieten
dat ik beefde van vermoeidheid en dat mijn geweer beefde
en dat het leek alsof er tussen dit moment
en het moment dat nog moest komen

In de afstand die tussen ons lag, enkele, tientallen meters
de zandkorrels die opstoven, de druppels ijswater die drupten
de zo langzaam mogelijk uitgeblazen wolkjes adem en de beer die
zich niet veel verderop bezighield met de vis in de rivier
en de ree die misschien niet genoot maar wel leek te wachten
ik herinnerde me het badwater dat naar eucalyptus rook
de man die een meer in wandelde
en zei dat hij zowel hier als nergens was

Ik zag de opsplitsing gebeuren: de afstand tussen mij en de ree
dat het ijswater viel en de zandkorrels opstoven
dat de ree in de strepen oranjerode zon stond
dat het stuk zeil op mijn rug niet kraakte en ik nauwelijks hoorbaar ademde
en er zoveel stilte was dat dit mijn botten een voor een op slot zette
mijn spieren deed ontspannen
ik zag de keuzes en de gevolgen, de absolute enormiteit van het punt waarop
de opsplitsing begon, waar één twee werd en de ree en ik daarom
door de nog niet gemaakte keuze verbonden raakten
ik zag mijn vader op zijn slippers, rennend naar school
kilometers over zandwegen en gras, rennend naar school
ik zag mijn moeder die haar vlechten afknipte in haar slaapkamer
kilometers rennend naar school
ik zag de blaren op de handen van mijn zusje
de strepen op de rug van mijn zus
ik zag de zon reflecterend op mijn voorhoofd als kind
kilometers rennend naar school

Mijn botten zaten op slot
en er werd in het meest onbeduidende deel van de seconde
niet geademd, niet geleefd, niet gewezen

Ik zwom in een afgebakend deel van de Schelde
tussen lange strepen zeeschuim
en onder een zonverhullende wolk stopte ik, bleef drijven
ik was niemand en nergens en niet op tijd
ik was er net niet

Toen ik mijn ogen sloot was ook de zon er niet, en de wolk er niet
en de zeemeeuw hield zijn mond, de partyboot hield ook zijn mond
de kustwacht en het opblaasdier en de miljoenen vissen die overal
en nergens naartoe zwommen hielden allemaal hun mond
nergens zijn snoert je de mond, behoedt je voor het horen
van enig aanwijsbaar geluid en laat je zweven wanneer je
stevig zou moeten staan, of zou willen

Er is geen enkele mogelijkheid om de weg terug naar de kust te vinden
wanneer je nergens bent geweest, of nergens vandaan komt
ik kan niet zwemmen, alleen nog in het water liggen
en luisteren naar alles wat zijn mond houdt
beweeglijk water vlak voor de kust
een lichaam omringd door lichamen
omringd door muren van andere lichamen
omringd door afbakeningen van wat een lichaam is
of zou moeten zijn, of het liefst zou zijn als het een keuze had
romp, ledematen, kop
volgepropt met organen en botten
zonder enig doel
zonder wortels waaruit het is gegroeid
een sociaal-antropologisch experiment, weggeknipte massa
een varken dat aan zijn achterpoten voor de neus van de slager hangt
klaar om opengereten te worden van nek tot anus
geen dier meer, nog geen product:

Bezoekers wordt afgeraden hun hoofd in de ribbenkast van het varken te steken
Bezoekers wordt afgeraden zich op welke manier dan ook aan het varken te hechten

Ik zette na de jacht mijn geweer op de grond, met het handvat op het parket
en de loop naar de lucht gericht, het zeil waarin ik geslapen had opgerold tegen de muur
stinkend naar bloed en poep en mos
en de ree met wie ik niemand en nergens was stond in mijn verbeelding nog steeds
met haar kop naar de oranjerode zon gericht, haar geur aan de bomen gesmeerd
mijn aanwezigheid voor haar verborgen door de afdrukken van de berenpoten waarin ik
mij had bewogen terwijl het bos zich bezighield met het dreigende donker
de ree en ik, wij maakten in de stilte van het bos een afspraak
zoals ik die maakte met de zeemeeuwen, de kustwacht, de partyboot
het opblaasdier en de miljoenen vissen
in de meters tussen de loop van mijn geweer en haar slaap, naar mij toegekeerd
zowel uitnodiging als uitdaging, met alle miljarden dingen die in de ruimte
tussen ons in gebeurden, die ons deden samensmelten
die het moment van ontsteking van herinnering aankondigden
voordat de eerste vonken
zichtbaar waren

2017

 




De jonge Nederlands-Kameroense schrijfster Simone Atangana Bekono (1991) debuteerde in 2017, een jaar na haar afstuderen aan de schrijversschool van ArtEZ Creative Writing, met haar gedichtenbundel
Hoe de eerste vonken zichtbaar waren. Die ligt al een half jaar naast me aan mijn schrijftafel, maar haar debuut is nog steeds te groot en overrompelend om mij helemaal aan over te geven. En nu komt literair tijdschrift De Gids alweer met nieuwe gedichten. Misschien is een tweede bundel reeds in de maak, terwijl ik weet dat zij ook werkt aan een roman en aan documentaires en video-art. Stoppen met dralen dan maar en, nu de eerste vonken zichtbaar zijn, aandacht besteden aan haar werk.

Haar debuut – een gedichtenbundel met negen eenvormige, (meestal) lange verhalende gedichten, onderbroken door twee brieven van veel lichtere toon – gaat over háár: een jonge zwarte feministische vrouw die in Nederland woont, werkt, liefheeft, reflecteert – die het leven volledig leeft. Uit haar bio: Simone verbindt persoonlijke ervaringen aan politieke standpunten, associaties aan concrete situaties en tekst aan beeld, om zo de frictie bloot te leggen tussen het individu en het stereotype waar zij zich elke dag tot moet verhouden. […] Wat is bijvoorbeeld de invloed van de Westerse cultuur/ideologie op de ervaring van het lichaam van een niet-blank persoon? Hoe beïnvloedt dit diens sociale interacties? En, naar zichzelf kijkend, wat is de invloed daarvan op haar kunstenaarschap?

Ik vind het een verpletterend debuut.

Bovenstaand gedicht is het zevende van negen gedichten die de verzameltitel wrijving meekregen. (De twee brieven vormen de afdeling ontsteking.) Op De Nacht van de Poëzie 2017 (16 september in Vredenburg, Utrecht) las Simone Atangana Bekono het negende gedicht voor. Zie hier.

Archief 2018