Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 20 - Jacques Hamelink: In de hoge slaapkamerspiegel

maandag 21 mei 2018

Naakt lijf aan lijf waren we voor
de sympathetisch alziende staspiegel
verdwaald en daar zonder aarzelen

lieten we elkaar los en zagen samen
ons samen, zag ook elk zich afzonderlijk,
ons lichamen zeer van elkaar verschillend

gemaakt tegelijkertijd zeer op elkaar
aangewezen aan. Zij alles hebbend wat
mij ontbrak, ik onverholen al wat haar.

Zo stonden we daar en dronken, van elkaar
dronken, een ogenblik elkaar geheel. Waren,
zonder even ook maar elkaar aan te raken,

Het zich van zijn toonbeeldwellustige ataraxie
welbewust paar dat in de eeuwigheid hierna
zich met het satijn van de zee ging bedelven:

zij veel ouder dan ik, een zuster van Eva
van Cranach, ik haar hengstegretige bevlezer
wie ze zei, teder betoverd de ogen opslaand

naar me in de spiegel, ‘is dat allemaal voor mij?’ 

2016



Maar liefst 124 pagina’s. Alle gedichten geschreven in terzines en eindigend met een losse regel. Volgens de achterkant is Oden voor komende nacht een veelsoortige anthologie uit wat de dichter Jacques Hamelink van zijn vroegste tijd tot op heden gezien, gehoord en geconcludeerd heeft. Daarin spelen zowel de natuurwereld als het erotische en het seksuele een toonaangevende rol. Wie bovenstaand gedicht goed tot zich heeft genomen, was ten aanzien van dat erotische zelf al tot die conclusie gekomen. En wat het seksuele (uit dezelfde afdeling, Zuster van Eva van C.) betreft:

Glanspurper

Uitgelezen wellustig was ze, naaister
al wel een hele tijd ongenaaid geweest.
Ongegeneerd zat ze op haar blote knieën

zich aan mijn voor haar ontstoken glans
te verlustigen, die ze met toegewijde
inhalige hand het vel afgestroopt had.

Ardent haar lof gaf ze hem, die zuster
dus verzot, ‘O Jackie, het is zo’n reus!
En hij kijkt zo naar me met dat oog!’,

zag hem, zag ik, in zijn glansheerlijkheid
en ik ook: met dat vurig verblind lacrimaal
bloeioog haar en mijn heer de cycloop Polyphemus

die zich lessen ging in waar zij hem mee hebben wou.


Een recensent schreef eens dat Hamelink lezen vereist dat alle naslagwerken uit de kast komen. Zelf noemt hij het Poëzie van avontuur. Er wordt in deze ‘autobiografie’ veel jeugdherinnerd: aan ‘zijn’ Zeeuw-Vlaanderen, het uitgestrekte land vol vervuilende industrie en bevolkt door varkensboeren, palingvissers, worstenmakers, kattenmeppers, dronkenlappen, hoeren, dorpsgekken en nog veel meer. De wijze waarop hij nostalgie en vervreemding samenbrengt, vind ik, ook in deze bundel, verrassend en spannend. Opwindend zelfs zijn een aantal van de zeer beeldende pornografische gedichten. 

Maar ook wordt er, in bestaande, vergeten en vervormde taal, veelvuldig verwezen naar oude en moderne tijden (op allerlei manieren en in vele uithoeken) en de bundel bevat ook nog eens bloemrijke (ik citeer weer van de achterkant) hommages aan sterren als Kleopatra, heiligen als Sint Bernard, schrijvers als Flaubert en de vijfduizend jaar oude mummie uit de Alpen, de Man van de Tisenjoch. Dat maakt het geheel om van te gaan tollen. Helemaal als we aan het einde chronologisch naar de 21ste eeuw lijken te lezen, maar de slotreeks Barbaar van na Auschwitz blijkt te heten, Dan vliegen we opeens weer terug naar de wreedheden van de Tweede Wereldoorlog en vervolgens weer vooruit naar een In Memoriam aan het dichterschap en, vlak daarvoor (onder de titel Asaël onder de populieren), aan een gestorven zoontje. Dan klinkt, opeens heel ingetogen:

Er is het cirkeltje
om hem, vijf vrouwen 
en ik, hand in hand,

er is ons, als zijnde
figuranten, woordloos
stilstaan in de kring

om zijn onwaarschijnlijk
spadiep gedolven grafje,
in zijn kistje ons mensje...


Jacques Hamelink (1939) is en blijft, hoe fascinerend en rijk dan ook qua vorm en inhoud, een zeer afstandelijke en daardoor ontoegankelijke dichter. Dat verklaart waarom deze bundel uit najaar 2016 zo lang op mijn poëzietafel bleef liggen zonder dat ik er toe kon komen er iets uit te kiezen en over te schrijven. Maar ik legde Oden voor komende nacht ook nooit weg. Om nu dan eindelijk mijn aarzeling te overwinnen en niet toe te geven aan schaamte, heb ik gekozen voor de erotische (bovenste) en twee pornografische gedichten op deze pagina (waarvan het onderstaande komt uit de afdeling Wreedheden). Want hoeveel er wordt voorgespeeld en afgeneukt in deze bundel, zal me wel het meest bijblijven.

Charisma

Om haar hoofd het opstaand hoofdkussen
geschikt ligt ze te wachten, te stralen.
Hij, haar borsten tussen zijn dijen klem,

houdt haar, puur ter aanbidding gereed,
zijn liefdestaaf voor ogen, heft hem,
haar vroomheid, haar gerustheid ziend,

naar haar bereidwillige tederlippigte,
dat die zijn glansvlees milddadig zij
en wreed voor haar ogen speelt hij

wreed met zijn hand zich voltooiing toe
in haar mond en zij, luxe, calme et
volupté, vorstinlijk ingetogen en vereerd,

slikt zoeter dan kussen zijn zijn melk.


Henri Matisse:
Luxe, calme et volupté 

Archief 2018