Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 12 - Hugo Claus: Dichter

vrijdag 30 maart 2018

[Beluister hier]




Herfst. Hoor. Geknetter. Hoor je dat zwaar geratel?
Het nadert in onze kleren, in onze haren.
Luizen van geluid. Wat is dit melaats geprevel?
Kind, het zijn de dichters buiten die klappertanden.

Hoe dichter de dichters bij hun sterven geraken
Des te grimmiger kermen zij naar de sterren.
In de ochtendmist waarin hun beelden smelten
Bevriezen de dichters in een herkenbaar colbert

Hoor hoe koortsig zij hun naderend vergaan verklaren
Want hun laatste gereutel moet doorzichtig zijn,
Hun weduwen van lezers doen snikken.

“O, ons ego was te duister!” klagen zij.
“Dat vroeg de tijd, polyinterpretabel als wij!”
En kijk, zij kruipen uit de windsels van hun ziel,
De mond vol kroket en gebed om genade
Voor hun prostaat, hun plagiaat.

Ei op sterven na ontdekken de dichters plots
De bedarende mirakels van goden, aforismen,
Aspirines, tederheden. Voor het eerst kan hun lief
Iets van haar lief met haar lippen lezen.

En voordat de dichters, loze winterappels
Door de plukkers als ondermaats versmaad
Uiteindelijk ook vallen in november
Willen zij voor eeuwig voor de buren verstaanbaar
Vallen. In melkboerentaal, als ooft natuurlijk beurs.

Zij blijven bitter luisteren naar het gefrommel
Van de krant die hun naam verkeerd blijft spellen
En zij vullen hun kruiswoordraadsels in
Vol anekdotes, angst en struikelende liefdes.

Maar te laat, te doof, worden de dichters gewaar
Dat wat duister en bot was in hun verzen
Niet lichter wordt door sleet, door de duur,
Maar dat het blijft besterven. Ondoorgrondelijk
Blijven hun huis, hun woord, de evenaar, het azuur.
Hun stuurse donkerte blijft gemeen als geld
En als de dood zo vluchtig.
 
“Maar apropos, jij zelf? Ja, jij! Vereerde jij ook niet
De splitsing, de gisting eerder dan het monument?
Zocht jij ook niet in elk motet een epitaaf?
Wrong jij niet een embleem uit elk letsel?
Vond jij je geblutste ik niet in elk bord zwezerik?’”

“Jawel. Nog overeind droom ik van het letterlijke.
Zeker. Tot het einde toe die muizenissen, rozen,
Paradijzen, radijzen, voze vergelijkingen. Met
Tot op dit papier deze lijken van letters.

Adieu schrijven de dichters een leven lang
En vergrijzend als lavendel in november
Blijven zij, gangreen en grap en raadsel,
Erbarmelijk bedelen om mededogen,
Zoals ik voor de sleet op mijn oren en ogen
Die jou beminden, beminnen...

1987




Gedicht uit
 De 
Sporen (1993), maar vandaag vooral gedicht uit Nieuwe tekeningen en gedichten, welke uitgave verscheen t.g.v. Claus’ tiende sterfdag (op 19 maart 2018). Uit de verantwoording van Suzanne Holtzer, die de bloemlezing samenstelde:

De tekeningen in dit boek maakte Hugo Claus in februari 2003. […] Jan Vanriet bezorgde Hugo Claus tijdens een ziekenhuisopname ter afleiding een blauw notitieboekje. Veertien dagen later kreeg hij het volgetekend terug, met daarin 108 tekeningen en een fictieve verantwoording.
Toen ik Jan Vanriet vertelde over mijn voornemen om in de bloemlezing […] tekeningen op te nemen, vertelde hij over dit boekje. Ik dank hem, en natuurlijk ook Veerle Claus, dat hij het ter beschikking stelde…

Suzanne Holtzer – zij was decennialang Claus’ redacteur bij De Bezige Bij – liet zich bij haar keuze uit (fragmenten van) gedichten leiden door die tekeningen. Het resultaat is een rijke keuze uit dat imposante poëtisch oeuvre van ontegenzeglijk een van de grootste auteurs die het Nederlandse taalgebied heeft gekend.

Zoals dit gedicht dus, waarin de zelfingenomen, onverstaanbare dichter (denk bij Herfst en November zeker aan J.C. Bloem) zich bewust wordt van zijn sterfelijkheid. Natuurlijk wil hij verstaanbaar raken, want anders raakt hij voorgoed in de vergetelheid. Maar Maar apropos, jij zelf? Grote dichter, Hugo Claus: de pot verwijt de ketel… Hoe zit het eigenlijk met  jou? Oké, hij geeft het toe: ook hij behoort tot degenen die klappertanden omdat zij de erkenning buitenshuis zochten en bij tijd en wijle (maar waarschijnlijk nagenoeg altijd) blind waren voor hun geliefde.

Prachtige slotstrofe: een leven lang erbarmelijk bedelen om mededogen totdat de sleet op […] mijn ogen en mijn oren doet inzien (niet meer met zintuiglijke prikkels, maar met veel gezonder verstand) dat er uiteindelijk toch gekozen moet worden voor de zuivere liefde of de eraan en -uit afgeleide poëzie. Claus laat mij gemakkelijk lezen wie er wint. Jou ook?

 

 

Archief 2018