Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een sinds 2016 dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse, maar daarna toch weer iets vakere rubriek met gedichten en gedachten daarover. Het levensmotto blijft: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

------

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de 
inhoudsopgaven van 2024-1 (A-F), 2024-2 (G-K), 2024-3 (L-R) en 2024-4 (S-Z),
2023-1 (A t/m K) en 2023-2 (L t/m Z), 
2022-1 (A t/m K), 2022-2 (L t/m Z) 2021-1 (A t/m K), 2021-2 (L t/m Z), 2020-1 
(A t/m K), 2020-2 (L t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 9 - Willem Jan Otten: Na sluitingstijd

woensdag 07 maart 2018

Ik droomde
dat het meer waarin ik zwom
zijn oevers sloot.

Daar dreef ik heen,
de onherroepelijke rand
van vloeiend glas
waarachter alles
Niagara wordt.

Iemand dreef daar voor mij uit.
Hij draaide trappelend zich om
en ik herkende hem,
maar waar dan van.

Hij gebaarde taal
die ik verstond
maar niet begrijpen kon.

Ik wist: dit water draagt ons
naar de onherroepelijke rand.

Zijn gebaar gold mij,
dat zag ik goed,
niet om te smeken
haal mij, kom,
niet om te roepen
keer je om.

Hij hief zijn handen op –
droomde ik het goed,
stak hij zijn duimen op?

Hij was waar ik te drijven kom,
een steenworp voor
de onherroepelijke rand
van vloeiend glas

en stak zijn duimen op.

Ook ik draaide mij om.
Stroomafwaarts dreven
Vonne, zonen, nichtjes, broer Michiel.

En voor ik wist wat ik deed
stak ook ik mijn duimen op.
En draaide mij weer om -

en zag, één lege
steenworp van mij af
de rand van gloeiend glas.

2018


Waarom schreef ik in deze rubriek niet eerder over Willem Jan Otten, terwijl de dichter, romancier, essayist en toneelschrijver een van mijn favoriete auteurs is? Dat is omdat er geen directe aanleiding voor was: het is immers alweer zes jaar geleden is dat er een nieuwe bundel van hem verscheen.

Hoewel Willem Jan Otten ruim vier jaar ouder is dan ik – hij is van oktober 1951 – en niet, zoals ik, in Brabant, maar in Amsterdam opgroeide, herken ik veel van mijzelf in hem, bovenal in zijn poëzie. Dat komt omdat Otten daarin dicht bij zijn eigen emoties blijft, zeker als hij schrijft over onderwerpen die ook mij na aan het hart liggen, zoals de liefde, de dood en zijn passie voor beeldende kunst en theater.

Nu is er wel een aanleiding, want er is een nieuwe bundel, getiteld Genadeklap.


Laat ik maar eerlijk zijn: ik ben er nogal door geraakt. Het is een klap, weliswaar nog zonder genade. Eigenlijk meteen al door het hierboven neergetikte openingsgedicht, dat me verpletterde. De ik is de dichter zelf, want verderop spreekt hij over Vonne (zijn vrouw: schrijfster Vonne van der Meer), zonen, nichtjes, broer Michiel - die kwamen we al vaker tegenHij zwemt in een meer richting de dood: Ik droomde dat het meer waarin ik zwom zijn oevers sloot. Daar dreef ik heen, de onherroepelijke rand van vloeiend glas waarachter alles Niagara wordt. Zijn gids is… De Dood? Iemand dreef daar voor mij uit. Hij draaide trappelend zich om en ik herkende hem, maar waar dan van.
De ik-persoon weet (tot drie keer toe): dit water draagt ons naar de onherroepelijke rand. De dood vraagt op hem te vertrouwen, want om de twijfel weg te nemen, stak hij zijn duimen op. Toch draait de ik-persoon zich om naar zijn dierbaren en… stroomopwaarts dreven Vonne, zonen, nichtjes, broer Michiel… Dan… En voor ik het wist, stak ook ik mijn duimen op en draaide mij weer om. Hij volgt de dood: en zag, één lege steenworp van mij af de rand van vloeiend glas.

Dat is wat mij ontroerde: de liefste die besluit dat hij alléén afscheid neemt, zodat zij nog niet… De komende dagen zal het hier, ik waarschuw alvast, alleen maar over Genadeklap van Jan Willem Otten gaan…

Archief 2018