Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 5 - Menno Wigman: Rien ne va plus

zaterdag 10 februari 2018

Ik wou dat ik nooit een gedicht had gezien - Slauerhoff

Je zult maar zestien zijn en lelijk. Zoals jij.
Maar je wilt dichter worden, melkt de woorden van
Rimbaud en Baudelaire en slurpt je moeders soep
onder vijandig licht. En 's avonds op je kamer
zit je hardnekkig je verwekkers stuk te schrijven,
je dicht en heerst in het geniep over het leven,
een spotziek joch met een duivel tussen zijn dijen
dat ooit de mooiste meisjes zal berijden –
ja en je hand die nu zo fel papier bekrast
houdt op een dag een vlammend boekwerk vast.
Je naam in druk, de schoonheid van een vrouw: het komt,
het komt. Je bent een dichter nu en haast elk meisje
trapt erin. Gretig ben je, slordig met geluk.
Je leeft. Leeft niet. Schuilt steeds verscheurd in een gedicht
en haalt pas adem als je gure schoonheid ziet.
En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
door poëzie van alles om je heen vervreemd,
nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.
Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
Had je maar nooit een gedicht gezien.

2016

Ook van een van de openingsgedichten van Slordig van geluk ken ik twee versies. Wederom maakt Wigman daar geen melding van in zijn aantekeningen achterin. Maar in de bundel Ode aan Slauerhoff (uitgave t.g.v. het Utrechtse Slauerhoff-festival door Het Literatuurhuis, 2012 - zie afbeelding onderaan) stond al deze, in slechts een paar regels afwijkende versie:


Ik wou dat ik nooit een gedicht had gezien - Slauerhoff

Je zult maar zestien zijn en lelijk. Jij bent het.
Maar je wilt dichter worden, melkt de woorden van
Rimbaud en Baudelaire en slurpt je moeders soep
onder vijandig licht. En 's avonds op je kamer
zit je je ouders tegen de vlakte te schrijven,
je dicht en heerst in het geniep over het leven,
een lelijk joch met een duivel tussen zijn dijen
dat ooit de mooiste meisjes zal berijden –
ja en je hand die nu zo woest papier bekrast
houdt op een dag een vlammend boekwerk vast.
Je naam in druk, de schoonheid van een vrouw: het komt,
het komt. Je bent een dichter nu en haast elk meisje
trapt erin. Gretig ben je, slordig met geluk.
Je leeft. Leeft niet. Schuilt steeds verscheurd in een gedicht
en haalt pas adem als je gure schoonheid ziet.
En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
door poëzie van alles om je heen vervreemd,
nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.
Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
Had je maar nooit een gedicht gezien.

2012


Beide keren één strofe van twintig regels. In regel één is het spotziek joch zestien jaar; twintig jaar en precies twintig regels later is de dichter zesendertig. Dat kan geen toeval zijn.
Gezien het rijm zou je eerder denken aan twee strofen van tien regels, want er is alleen maar sprake van (vol)rijm in regel 9 en 10 (bekrast vast) en regel 19 en 20 (misschien gezien).

In zijn aantekeningen meldt Wigman wel dat de uitspraak
 
Ik wou dat ik nooit een gedicht had gezien afkomstig is uit een brief die Slauerhoff kort voor zijn dood schreef aan dichteres Jo Landheer. Gaat dit gedicht over Slauerhoff of valt elk dichterschap te beklagen?

Blijft nog de titel. Door poëzie van alles om je heen vervreemd, rest de dichter – ziek en mensenschuw en dus specifiek de jong gestorven Slauerhoff – de constatering: had je maar nooit een gedicht gezien. Het is niet lang voor zijn dood, op 38-jarige leeftijd. Rien ne va plus: niets gaat nog; nee, er kan niets meer bij…


 

 

Archief 2018