Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 2 - Ester Naomi Perquin: Terug

zondag 14 januari 2018

Het gebeurt niet als ik slaap maar bij de dagelijkse dingen.
Ergens in de supermarkt, als ik de mayonaise pak.
Kinderhandje, autoraam.

Ik weet dat ik niet schuldig ben. Ik heb mijn best gedaan.
Het was secondewerk dat uren duurde
en dit viel buiten mijn bereik.

Het vreemde is dat in mijn hoofd altijd het lampje brandt
als ik naar binnen kijk. Terwijl dat niet zo was.
Alles muurvast, naar voren gekanteld.

Hoe lang zijn je armen als het er werkelijk toe doet?
Iemand zei: wie je niet redt blijft je langer bij
dan hele rijen op het droge.

Dat zal ook wel zo zijn. Niemand die mij iets verwijt
en niemand die iets vraagt. Het is je baan.

Maar soms zie ik het water nog. Het vreemde licht.
Dat kinderhandje voor het raam.

2017


[Zie ook gisteren.]
Jij schrijft het gedicht, maar wij werken erin, zei een politieagent tegen haar. Da’s ook poëzie. Ester Naomi Perquin:
De gedichten in Lange armen zijn ontstaan omdat ik alles mocht vragen. Van inhoudelijke bemoeienis, laat staan censuur, is nooit sprake geweest. Ik mocht op stap met teams in Rotterdam, sprak met de Forensische en de Tactische Recherche in Utrecht, ontmoette korpschef Erik Akerboom in Den Haag en ging mee met door de wol geverfde politiemannen in Deventer. Ik ging op huisbezoek, maakte arrestaties en verhoren mee en moest één keer bijna overgeven toen we halverwege een bord Surinaamse nasi in een achtervolgingsscène belandden. Ik zag ergernis, onmacht, vastberadenheid, warmte, begrip en humor. Ik hoorde agenten vertellen over de seconde vóór je wel of niet je wapen trekt. Over de gezichten van ouders die slecht nieuws gaan krijgen. Over uitzichtloosheid in doodgewone rijtjeshuizen. Er wacht poëzie op vreemde plekken.

In bovenstaand gedicht zijn de Lange armen te kort. De agent(e) die sprekend is opgevoerd, zag een auto te water en kon niets doen. Het gebeurt bij de dagelijkse dingen. Ergens in de supermarkt. […] Soms zie ik het water nog. […] Dat kinderhandje voor het raam. […] Iemand zei: wie je niet redt, blijft je langer bij dan hele rijen op het droge.

Archief 2018