Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 45 - Amber-Helena Reisig: Uitje

donderdag 09 november 2017

ditmaal is het mijn vader die wacht
en ik laat hem, vraag me af hoe
zijn wachten eruitziet – ik weet zo
weinig van hoe hij is als hij alleen is

ik vermoed dat hij slaapt zoals hij doet als hij
vermoedt dat ik niet kijk – toen we gescheiden
werden, nam hij me mee naar de film om
uit te rusten, hij leidde een wild leven toen

ik verscheurde de foto’s waarop hij met
andere vrouwen dan mijn moeder stond,
zei dat het een ongeluk was en ongeluk
was het – uren alleen, spelend op de markt

hij op het terras het hof makend, hij kuchte
alsof hij ging speechen, toostte met die
grijze Duitse, ik had een gulden, mocht
een appel kopen – voor wie was ik bestemd

vader, moeder: een is dood en de logica ontgaat
me, wat voor schepper maakt de wetten, zwaait
de zeis en bedient zich van de tijd, waar kan ik
me beklagen – ik stap in mijn vaders auto, we rijden

langs de plekken waar mijn moeder was, ik doe alsof
hij haar is, praat over maandverband, menstruele
cyclus, mannen – misschien doet mijn vader soms
ook alsof ik mijn moeder ben en merk ik het niet eens

een winkeldeur rinkelt, zij die niet langer kan
verschijnen, verschijnt en ik naast haar, zestien
jaar, mijn vader met onze winkeltassen, ze
lacht en zwaait, alsof het nooit meer overgaat –

nietsontziend het gaspedaal, ze sterft weer
weg, we zeggen het niet maar zagen hetzelfde
dan wijzen we naar de plekken: hier, zegt hij
en daar, zeg ik, weet je nog, zegt hij en ik: ja

2017


Het herfstnummer van literair tijdschrift Das Magazin gaat, onder gastredacteurschap van Marja Pruis, over De Familie. Een van de auteurs is Amber-Helena Reisig (Heerlen, 1992) Op haar website lees ik wat zij schrijft: gedichten, korte verhalen, een roman (uiteindelijk), columns, essays, reportages, webteksten en alle andere dingen waar je het alfabet bij nodig hebt. 



In
Das Magazin drie gedichten, waaronder het bovenstaande. Haar moeder is overleden; zij heeft een gulden. Zij is van 1992; de euro van 2002. Zij is dus niet ouder dan tien. Althans, in de derde en vierde strofe, als zij herinneringen ophaalt aan haar vader met andere vrouwen dan mijn moeder. En weer later is zij 16 jaar en ziet het beeld voor zich van toen zij nog met z’n drieën waren: een winkeldeur rinkelt, zij die niet langer kan verschijnen, verschijnt en ik naast haar, zestien jaar, mijn vader met onze winkeltassen, ze lacht en zwaait… En nu, nu is zij zo volwassen als haar moeder was: ik doe alsof hij haar is, praat over maandverband, menstruele cyclus, mannen – misschien doet mijn vader soms ook alsof ik mijn moeder ben…

Is er al een bundel? Nee, helaas nog niet. Wederom de website: Mijn debuutbundel Alles nog te vrezen laat, vrees ik, nog even op zich wachten. Hij zal gelijktijdig met mijn debuutroman ergens in de nabije toekomst verschijnen bij Uitgeverij Prometheus. Nou, daarop gaan we dus wachten.

Onlangs werkte zij mee aan een interviewreeks voor NRC-Handelsblad. Daarin spraken tientallen geportretteerde vrouwen en mannen over ervaringen met seksuele intimidatie en geweld. Reisig: Het is een aangrijpende collectie verhalen geworden, verhalen die gehoord moeten worden. Ik sta op de voorkant. Niet vanwege de intensiteit van mijn verhaal, maar vanwege de foto als afbeelding op zich.

 

Archief 2017