Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 36 - Ted van Lieshout: Köln am Rhein

zaterdag 09 september 2017

Beluister hier: Karin Bloemen
Zie ook dit logboek.

Ze keken naar de kranen in de Rotterdamse haven,
die traag als grote reigers loerden op een natte prooi.
Weerspiegeld in het water waren zij alleen maar mooi:
twee kleine blonde broertjes stuurden bootjes van papier,
de hele weg naar 't Ruhrgebied en helemaal van hier,
met groetjes en met kusjes naar het verre Köln am Rhein.
Want had een Duitse losser uit die stad niet zelf gezegd:
"So weit kann man kaum seh'n; da sind ja alle Brüder klein."

Een stad vol kleine broertjes - wat een schitterend idee!
En ooit kwam de boot naar Köln am Rhein en nam ze mee.
Daar hoefde je vast nooit naar school en nooit op tijd naar bed
en heus geen boerenkool met worst, maar enkel frieten met.

Het groter worden ging vanzelf, met horten en met stoten.
De tijd nam hen genadeloos al hun illusies af:
de Sint & Piet, kaboutertjes en de fee met toverstaf.
En dat gehoorzaamheid te allen tijden wordt beloond,
kon voor ze negen waren alweer worden weggehoond,
alsook het respecteren van wat mein ist und was dein.
En wie kon nog geloven in een boot die maar niet kwam?
Dass Kölner Brüder klein sind, köntte auch gelogen sein.

Een stad vol kleine broertjes - een bespottelijk idee
dat ooit een boot zou komen en die nam ze zeker mee!
De hele wijde wereld is toch veel en veel te klein
voor Keulen aan de Rijn om idioot ver weg te zijn?

Een man keek naar de kranen in de Rotterdamse haven,
die traag als grote reigers loerden op een natte prooi.
Weerspiegeld in het water was die man alleen maar mooi.
Hij stuurde kleine bootjes van papier naar 't Ruhrgebied,
waarheen zijn kleine broertje voer toen die zijn broer verliet,
met groetjes en met kusjes aan het verre Köln am Rhein,
waar alle broertjes wonen die te vroeg zijn stukgegaan.
So weit kann man kaum seh'n; da sind ja alle Brüder klein.
Er möchte biss zu Köln so nah zu seimen Bruder sein.

1995


Dit is het lied waarop ik doelde in dit logboek. Het thema van de gestorven broer kennen we ook uit onder meer zijn jeugdroman Gebr. (1996).
Ted van Lieshout, over dat boek, in een interview door een scholier:
Ik wilde een verhaal schrijven over twee broers waarvan de jongste sterft, omdat dit in het echt gebeurd is met mijn jongere broer en mij. Maar over die waarheid heb ik wel een verhaal verzonnen. Want in werkelijkheid was mijn broer 22 toen hij stierf aan dezelfde ziekte als in het boek en niet 14. Ik was toen 23 en niet 16. Luuk en Marius zijn dan ook niet echt mijn broer en ik, maar jongens zoals mijn broer en ik. 
Ook wilde ik antwoord vinden op deze vraag: als je enige broer (of zus) dood is, ben je zelf dan nog wel broer (of zus)? Die vraag kon ik niet beantwoorden, omdat ik nog een oudere zus en een jongste broer heb. Voor het verhaal moesten die dus "uit de weg geruimd worden". Iemand anders moest juist tot leven worden gewekt, want mijn vader is gestorven toen ik 7 was; een dode vader en een dode broer vond ik te erg voor het verhaal en daarom loopt er een vader in rond.

Bovenstaande liedtekst is ouder dan Gebr., waar hij op dat moment vast al aan werkte. En dènken aan de dode vader en dode broer doen we sowieso vaak... 


Archief 2017