Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 31 - Jos Versteegen: Dat voorjaar

dinsdag 01 augustus 2017

Wanneer uw moeder jarig was,
dan kreeg ze van de bovenbuurvrouw
de mooiste lappen stof, katoen
of zijde, u ziet de tulpen nog
tegen een blauwe achtergrond.

Het baaltje stoffen was in touw gedraaid,
en in de vroege ochtend,
wanneer uw moeder jarig was,
dan liet de bovenbuurvrouw, eenhoog,
dat pakje zakken voor uw raam.

Uw moeder droeg de tulpen nog,
op blauw, toen zij daar niet meer woonde,
de bovenbuurvrouw van de stoffen.
"Ik kom terug", had ze gezegd,
en in haar beste jas ging zij
de trap af naar het voorportaal.
Er stonden wagens in de straat.
Het was om vier uur in de morgen.

2017 


Net als gisteren een gedicht uit Woon ik hier, de zevende bundel van Jos Versteegen. Ik beleef daar veel plezier aan. Ik citeer hem nogmaals uit zijn nawoord:
Het afscheid van mevrouw De W, (zie dus gisteren, fv) was niet helemal eenzaam. Een paar medewerkers van het verzorgingshuis waren aanwezig en een van hen hield een toespraak. Terwijl ik zat te luisteren kwam ik op een idee: ik moet eens met bewoners van het verzorgingshuis gaan praten. Hun levensverhalen zijn er nog en ze kunnen me inspireren tot gedichten. Het is mooi en soms aangrijpend om te schrijven voor een eenzame dode, en dat blijf ik doen, maar het is ook mooi om naar oude mensen toe te stappen om te horen wat zij hebben meegemaakt, hoe zij terugkijken op hun leven. Uit hun mond kan ik nog zoveel optekenen.
En dat heb ik twee jaar lang gedaan. De levensverhalen kwamen bijna vanzelf. Ik heb anekdotes gehoord die ik nooit zelf had kunnen bedenken. [...] Ik heb verhalen gehoord over lichamelijk ongemak, het weghalen van joden, een onbekende soldaat, de ervaringen van een kind van foute ouders, Indië, verre reizen, grote liefdes. jonggestorven echtgenoten. Over een vrouw uit een arm milieu die zichzelf in september graag trakteerde op Prinsjesdag: zwaaien naar de Gouden Koets. Ik heb kennisgemaakt met een man die als baby werd verstoten door zijn vader en hem zo graag wilde leren kennen. Met een man die de grafsteen van zijn moeder onder zijn bed bewaart, omdat hij hem voor zijn eigen graf wil hergebruiken. Ik heb mijn buren leren kennen. Zij hebben verteld. Die verhalen zijn nu gedichten.

Bovenstaand gedicht is natuurlijk het verhaal over het weghalen van joden. Een schok, die laatste regels, want daarvóór ben je - onder meer door de herhalingen - helemaal meegenomen in dat tafereel, in de vroege morgen wanneer uw moeder jarig was, rond de mooiste lappen stof met tulpen tegen een blauwe achtergrond. Die wagens in de straat zie je niet aankomen; ik hoop dat de bovenbuurvrouw van de stoffen er ook geen weet van heeft gehad voordat ze er opeens stonden: om vier uur in de morgen.

Archief 2017