Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar;
met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar
de inhoudsopgaven van 2020-1 (A t/m M), 2020-2 (N t/m Z), 2019, 20182017 en 2016.

Week 27 - Gerrit Achterberg: Moeder (1)

zondag 02 juli 2017

Mijn moeder is een grijze vrijdagmorgen:
zij moet de kamer doen; stof beeft;
dan dweilen, voor het eten zorgen,
zien wat van gisteren overbleef.

Ik ben in haar liefde geborgen,
die elk verraad der wereld overleeft:
wie ik ook werd, wij eten overmorgen
de koek die zij gebakken heeft.

Wanneer de zondagmorgen is ontloken
staat heel haar wezen in de blijde bloei,
waarin mijn wezen moet zijn aangebroken,

omdat ik dan niet meer gevoel
hoe door de dood is aangestoken,
wat bij een andere vrouw begon.

1941 


Opnieuw Gerrit Achterberg. In 1941, als de bundel Osmose verschijnt, is hij al veroordeeld wegens moord. Daarop doelt de dichter als hij over zijn moeder zegt: Ik ben in haar liefde geborgen [..] wie ik ook werd.

Het zo schijnbaar eenvoudig begonnen sonnet, brengt in de twee terzinen toch nog lastige vragen boven.
De blijde bloei is er altijd wanneer de zondagmorgen is ontloken, want de moeder is gelovig. De liefde voor en de trouw aan God is bij hem door de dood aangestoken. Letterlijk door die moord; figuurlijk doordat hij weet dat hij de liefde niet bij God zoekt, maar bij de vrouw. Nee, niet de moeder, maar een andere vrouw, de te beminnen vrouw. 


Archief 2017