Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Met ingang van 1 januari 2020 schrijf ik niet meer dagelijks,
maar wekelijks en laat ik de nummering weer los.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 25 - Gerrit Kouwenaar: Men moet

woensdag 21 juni 2017

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge -

1996


Zie ook zondag, maandag en dinsdag.

Hoe vaak staat er men moet? De titel niet meegerekend zes keer, maar eigenlijk veel vaker, want men moet zijn vonnis nog vellen, men moet de dochters een harnas aanmeten... Ook waar het er niet staat, staat het er. Niet alleen men moet, maar men moet nog, want dat woord staat er nog vaker. Maar liefst twaalf keer moet men nog iets doen.

Men is een belangrijk woord in de poëzie van Gerrit Kouwenaar. Om zijn gedichten te ont-ikken. Pas in het laatste decennium, als zijn vrouw overlijdt en hij eenzaam achterblijft, vallen dichter en mens samen en lezen we ik.

Gerrit Kouwenaar was de dichter van de tijd. Daarom ook dat karakteristieke gedachtenstreepje aan het einde van elk gedicht: de gedachte is weliswaar gestopt, maar de tijd niet. Daarom staat er geen punt, niet aan het einde van een gedicht en ook niet in het gedicht. Dat begint steeds met een hoofdletter, maar gaat verder in kleine letters en zo weinig mogelijk interpunctie.

Als Gerrit Kouwenaar dit gedicht schrijft, is hij al 73 jaar. Hij is oud en denkt: wat
moet men nog?
Zijn zomers nog tellen. Zoals je zegeningen? Wees zuinig op wat nog komt en blij met wat is geweest...
Zijn vonnis nog vellen. Nog vaststellen wat het leven waard is geweest.
Zijn winter nog sneeuwen. De ouderom aanvaarden.
Boodschappen doen voor het donker de weg vraagt. Hier komen gedachten over het levenseinde binnen en vandaar ook de zwarte kaarsen voor in de kelder
De zonen nog moet inspreken en de dochters een harnas aanmeten, want die moeten zonder hem verder. Zonen moeten strijdbaar zijn; dochters moet je beschermen. Een onmogelijke opgave, weet hij ook wel, net zo onmogelijk als ijswater koken leren.
De fotograaf nog de bloedplas wijzen. Scherp blijven op maatschappelijke misstanden.
Zijn inktlint vernieuwen. Blijven schrijven! Maar... intussen zijn huis ontwennen, dus zonder te ontkennen dat het einde nadert...

Dan komen de mooiste regels.De
vlinder staat bij Kouwenaar voor de ziel en in zijn gedichten komen we zwarte en witte vlinders tegen. Een kuil graven voor een vlinder en het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge, verwijzen rechtstreeks naar het leven dat wordt afgebroken, waarna het korte bestaan - het ogenblik - op aarde zich voegt naar wie hem zijn voorgegaan. Of zijn vaders horloge tikt? Er staat niet dat het niet zo is. Bovendien: ook nu volgt die gedachtenstreep en geen punt - 


 

 

Archief 2017