Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 24 - Menno Wigman: Pijn

donderdag 15 juni 2017

's Nachts slaap ik op een mes. Hoe ik ook vecht,
een onbehouwen pijn brandt me uiteen.
Half drie. Mijn pijn zit tegenover mij.
We praten niet. We schreeuwen niet. We kijken
elkaar niet eens de kamer uit.

Zo lig ik maar te wachten in mijn huid.
Vier uur. Ik zie de dode met mijn naam.
Ik zie een lichaam in de kamer staan.
Sterk is het, tanig, stoer en jong -
sprekend mijn lichaam toen het alles kon.

Ik groet het niet. En toch, die vreemde schim
laat mij een kamer met een meisje zien,
ik lag te wachten bij een open raam
en kreeg die dag een lichaam met een naam.

Half vijf. Hoe moet ik slapen op een mes?
Half vijf. Hoe kom ik uit dit lichaam weg?

2015


Gisteren
nam ik in deze rubriek het gedicht op dat Joost Zwagerman op 20 juni 2015 schreef voor Rogi Wieg, drie weken voor diens dood. Het staat afgedrukt in de bundel In de kring van menselijke warmte. Hommage aan Rogi Wieg, samen met ruim honderd andere gedichten. Sommige daarvan zijn, net als dat van Zwagerman, geschreven na het aankondigen van de euthanasie die Wieg verkoos boven een voortdurend leven in depressies. Bovenstaand gedicht schreef Menno Wigman onmiddellijk ná het overlijden van Rogi Wieg.

Je moet veel van depressiviteit begrijpen als je het zo kunt opschrijven:
Hoe moet ik slapen op een mes? Maar nog aangrijpender vind ik de derde strofe. Wigman heeft, aan het einde van de tweede strofe, de wanhopige van nu inmiddels in contact gebracht met de krachtige van toen: Sprekend mijn lichaam toen het alles kon. En die voert hij vervolgens, zeer weloverwogen, even mee naar een kamer met een meisje. Ik [...] kreeg die dag een lichaam met een naam.

Daarmee is Wigmans gedicht opeens niet alleen een
In Memoriam - de dichter troost zichzelf - maar ook een Troostgedicht voor een ander, in dit geval Rogi Wiegs echtgenote Abys Kovács. Daaruit spreekt echte vriendschap: met je eigen, exclusief gewaande verdriet een stap terugdoen om aandacht te vragen voor het veel grotere verdriet dat er is bij die ene. 

 

Archief 2017