Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 22 - Jacques Brel: De radelozen

zondag 28 mei 2017

[Jacques Brel: Les désespérés]
[Liesbeth List: De radelozen]
[Wende Snijders: Les désespérés]


Ze lopen hand in hand, gehuld in doodse stilte,
door uitgedoofde steden vol van vocht en kilte,
waarin alleen hun doffe sloffen wordt gehoord...
Zo lopen woordeloos de radelozen voort.
Hun vleugels zijn verbrand, hun takken afgewaaid,
zo op een klip gestrand dat dood geen angst meer zaait,
zijn ze de liefde moe, die droom werd wreed verstoord....
Zo lopen woordeloos de radelozen voort.

En ik, ik ken hun weg, ik ben hem zelf gegaan:
al meer dan honderd maal ben 'k halfweg bljven staan,
maar - jonger of gekwetster - zetten zij hem voort... 
Zo trekken woordeloos de radelozen voort.
Want onder gindse brug is 't water diep en lief'lijk,
daar houdt de wereld op en is het bed gerief'lijk,
zij snikken er hun naam nog, als een jonge bruid...
Dan wist het water stil de radelozen uit.

Sta op, degeen die hun de eerste steen wil gooien,
die kent van liefde alleen de woorden ik en mij...
De brug gaat zich alweer in ochtendnevels tooien,
een leven dat eens hoop gekoesterd heeft... Voorbij... 

Jacques Brel stierf oktober 1978. Hij was nog geen vijftig, maar had zijn lijf verwoest met nicotine en alcohol. Toch stierf hij eigenlijk niet door kanker, maar doordat hij het leven uiteindelijk niet had aangekund. Brel haatte zijn roots, omdat hij in het inspirerende Frankrijk pas kon opbloeien en er de bekrompenheid van zijn katholieke Belgische land pas laat ontsteeg. Hij haatte de vrouw, omdat hij niet zonder haar kon, maar tezelfdertijd wist dat zij als enige in staat was zijn zelfstandigheid en creativiteit te blussen. Hij haatte zichzelf, omdat hij zijn idealen zo hoog had gesteld dat ze onmogelijk in één mensenleven te verwezenlijken waren.

Wie zo leeft, kan de tegenslagen niet ontlopen en als luisteraar van zijn liedjes en lezer van zijn teksten, mogen we hem dankbaar zijn dat hij daar als dichter-zanger zijn inspiratie vond. Orly , afkomstig van zijn laatste grammofoonplaat (uit 1977), is een van de meest tragische afscheidsliederen die er bestaan. In de vertrekhal van het vliegveld omhelzen een vrouw en een man elkaar, maken zich met moeite los, grijpen elkaar weer vast en scheuren zich uiteindelijk los. De man verdwijnt, zonder nog om te kijken; de vrouw blijft staan en beseft dat zij elkaar nooit meer zullen zien. (Dat Orly ook een dodendans is, beschreef ik hier.)
Het wereldberoemde
Ne me quitte pas is een aangrijpende smeekbede van een man die vreest dat zijn geliefde hem verlaat:

Laat me niet alleen.
Nee, ik huil niet meer.
Nee, ik spreek niet meer.
Want ik wil alleen
horen hoe je praat,
kijken hoe je lacht,
weten hoe je zacht
door de kamer gaat.
Nee, ik vraag niet meer.
Ik wil je schaduw zijn.
Ik wil je voetstap zijn.
Ik wil je adem zijn.
Laat me niet alleen.
Laat me niet alleen.

In verschillende van zijn teksten kijkt Jacques Brel de dood recht in de ogen en daagt hem opstandig uit of dringt zich wellustig aan hem op. En natuurlijk zijn er de vele liederen waarin hij er blijk van geeft te begrijpen waarom anderen net zo met het leven worstelen als hij en soms zelfs besluiten niet meer boven te komen. Daarom ook zijn verdediging:
Sta op, degeen die hun de eerste steen wil gooien, die kent van liefde alleen de woorden ik en mij...
Dat zijn regels uit de bovenste tekst:
Les désespérés, door Ernst van Altena vertaald tot De radelozen voor de in 1969 verschenen geluidsdrager Liesbeth List zingt Jacques Brel

De radelozen is een beklemmende weergave van een afscheidstocht, een uit-het-levenloop. Niet, als in Orly, uiterst moeizaam, maar juist zeer resoluut. Woorden hebben de radelozen niet meer kunnen vinden, totdat ze op de brug staan en er in eenzaamheid nog één keer hun eigen naam stamelen: ze snikken er hun naam nog, als een jonge bruid...Groter kan de tegenstelling niet zijn: de bruid op de stralendste dag van haar leven; zij op de meest radeloze... En zoals Japi in Nescio's De Uitvreter niet van de Waalbrug sprong, maar stapte, zo vastberaden verdwijnen ook zij.
In
Orly was de verteller de derde persoon: degeen die alles beschouwde en zich herkende in de eenzaamheid en het verdriet van die man en die vrouw in hun dodendans. Juist omdat hij zichzelf in hen herkende, vielen zij hem op. Hoe vaak zien wij mensen afscheid nemen, maar hoe zelden doorgronden wij hun motieven?
Ook in
De radelozen staat de verteller zelf buiten het gebeuren, maar hij ziet hen gaan en beseft: Ik ken hun weg, ik ben hem zelf gegaan; al meer dan honderd maal ben 'k halfweg blijven staan, maar - jonger of gekwetser - zetten zij hem voort...
Brel zelf was er niet aan toe, want hij moest nog schrijven. Wie aarzelf, krijgt net niet het zetje dat hij ervoor nodig heeft.
De radelozen daarentegen: zij trekken woordeloos voort.  

Archief 2017