Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is
Carol Ann Duffy

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Nieuw is dat de dagen vanaf 1 januari 2019 zijn genummerd; op 31 december kom ik uit op 365.

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende.
Met de links hierna ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 21 - Anna Enquist: De stad herboren

vrijdag 26 mei 2017

Liggend onderwerpt hij het stadsdak, prent
het patroon van bladloze takken tegen fel
blauw in zijn brein, dat bloemkooltje, leeg

nog en klein. Waakzaam ontvangt hij licht
en lawaai, zonder oordeel. Honden, motoren,
een boor. Ik duw zijn wagen en merk hoe hij

schift, niet meer schrikt, scheidt wat hem boeit
en wat niet. Hij verovert de woorden, hij groeit
en zit voor op mijn fiets. Hij vult zijn stad in

met herrie en troep, wil stil bij de vuilnis,
de veegwagen, roept de lantaarns aan,
verstomt bij de rijzende brug, wacht verheugd.

In anderhalf jaar ben ik om, heb ik hekel
en haat laten gaan, is er dankzij zijn geestdrift
een heldere lusthof ontstaan. In het park

gaan wij liggen op doodmoe gras, in de verte
murmelt de stad. We kijken tevreden omhoog,
hij en ik, door de takken van de plataan.

2015



In januari schreef ik
hier over
Een kooi van klank van Anna Enquist. Het merendeel van de gedichten uit die bundel (CPNB-Poëziegeschenk 2013) vormt, onder diezelfde titel, het hart van de derde afdelin
g van Hoor de stad (2015), met Enquists laatstverschenen poëzie.

In die gedichten uit Een kooi van klank, zoals in Pavane, komt de dood van haar dochter opnieuw uitvoerig ter sprake. Zij verongelukt in 2001 in het centrum van Amsterdam. Aanleiding voor Anna Enquist om de stad [...] met herrie en troep voortaan te mijden.

Maar... in 2014 en 2015 aanvaardt zij het ambt van stadsdichter, een initiatief van Stadsdeel Centrum en de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA). Daarmee kan zij niet anders dan de binnenstad weer in haar leven toelaten.

Bovendien wordt daar haar kleinzoon geboren en op haar wekelijkse oppasdag - ik duw zijn wagen [...], hij zit voor op mijn fiets - aanschouwt zij: waakzaam ontvangt hij licht en lawaai, zonder oordeel. En zij? In anderhalf jaar ben ik om, heb ik hekel en haat laten gaan, is er dankzij zijn geestdrift een heldere lusthof ontstaan.

Een kind geboren - met zijn brein, dat bloemkooltje, leeg nog en klein - en de stad herboren. Maar de angst voor nieuw verlies zal nooit meer weggaan en ook daarvan geven deze gedichten rake voorbeelden.

Op eeltloze voeten heet de vijfde afdeling, waaruit bovenstaand gedicht afkomstig is. En ook het onderstaande, Reisgoed, waaraan die afdeling haar titel dankt: Straks holt hij geestdritig zijn lot in, op eeltloze voeten. [...] Behoed hem, help hem langs afgrond en drijfzand, red hem op zijn reis.

Hij, klein gewicht op mijn heup, maakt
zich klaar. Als zeesterren kletsen
zijn handjes tegen de vloer. Hij vertrekt.

Straks holt hij geestdriftig zijn lot in,
op eeltloze voeten. Doe maar niet,
wil je zeggen. Je kauwt op je woorden,

verbijsterd. Je schroeit zijn papierdunne
wang met je adem van vuur. Hij veegt
het roet van je angst uit zijn oren.

Wees toch wijs, zing een lied dat hem
helpt langs afgrond en drijfzand,
hem behoedt, hem redt op zijn reis.

 

 

 

Archief 2017