Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Met ingang van 1 januari 2020 schrijf ik niet meer dagelijks,
maar wekelijks en laat ik de nummering weer los.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 19 - Jan Beuving: Lot

woensdag 10 mei 2017

Groningen, vlak na de oorlog
Zij trekt haar verpleegstersjas aan
Mijn oma gaat liften naar Arnhem
Om daar naar haar ouders te gaan
Het land is zwart-wit en de ochtend is koud
En achtentwintig jaar voor een vrouw alleen is oud

Ze heeft in die mistige ochtend
Een stuk met een boer mee gekund
Maar die moest al snel naar het oosten
En dus staat ze nu bij De Punt
Haar reis is nog lang na dit goede begin
Als een auto plots stopt en uit het portier klinkt "Stap in"

De wagen zit vol met drie mannen
Peter en Jan en Corné
"Waar moet je heen?" Ze zegt "Arnhem"
"Nou, dan kun je tot Zwolle wel mee"
Ze zegt "Ik heet Lot" en ze glimlacht naar Jan
Tweeëndertig jaar voor een man alleen - nou, dat kan

De autorit loopt heel voorspoedig
En Peter is steeds aan het woord
Corné valt hem soms in de rede
Maar Jan doet alsof hij niks hoort
Hij kijkt steeds naar Lot, die haar ogen dan sluit
Ze willen graag praten, maar bij Zwolle moet ze eruit

En dus rijdt de auto weer verder
Drie mannen, nu zonder een vrouw
En even na Utrecht zegt Peter
"Zeg Jan, was die Lot niks voor jou?"
"Natuurlijk," zegt Jan, "maar de tijd ging zo vlug
En Groningen is groot, hoe vind ik haar ooit nog terug?"

Die avond zit Lot bij haar ouders
Maar ze is in gedachten bij Jan
Haar vader leest voor uit de Bijbel
Hoe God aan de vrouw en de man
Als kroon op de schepping de liefde ontvouwt
Maar achtentwintig jaar voor een vrouw alleen is oud

Ook Jan zit die avond aan tafel
Maar hij is ver weg, in Maassluis
Hij zit met Corné aan de maaltijd
Bij Peter zijn ouders in huis
Ook Peter zijn vader leest woorden van God
Van de mus en de zwaluw, maar Jan denkt alleen maar aan Lot

Groningen, twee maanden later
Zwijgend verlaat Lot haar kerk
Ze blijft liever niet te lang praten
Ze moet morgen weer aan het werk
Ze staat op het punt om naar huis toe te gaan
Dus ze groet haar vriendinnen en plotseling ziet ze hem staan

"Jan, jij bent Jan! Wat doe jij hier?"
Stamelt ze als ze hem ziet
"Ik wist niet dat dit ook jouw kerk was"
En Jan zegt: "Dat is het ook niet
Maar ik zoek je al zeker een zondag of vier
In iedere kerkbank en God zij geloofd, God zij gedankt, je bent hier

Toen ik van je wegreed bij Zwolle
Toen wist ik al: jij wordt mijn vrouw"
Lot kan het haast niet geloven
En dat heeft ze op zondag niet gauw
En zes maanden later zijn ze getrouwd
Want achtentwintig jaar voor een vrouw alleen is oud

En nu zit ik, zoveel jaar later
Bij mijn opa en oma in huis
Opa zit met me te praten
En oma staat bij het fornuis
Ze wacht tot de fluitketel fluit voor de thee
Als opa me vraagt "Wat dacht je ervan, lieve jongen
Maken je oma en ik nog eens mee
dat jij een vriendinnetje meebrengt?" - En zeg dan maar eens nee

2010


Voor het zojuist verschenen boek Leven in het lied interviewde cabaretière-zangeres Mylou Frencken 25 vakgenoten over een van hun liederen. Onder hen ook Jan Beuving (1982), mijn oud-student aan de Koningstheateracademie. Hij vertelt over bovenstaande liedtekst. Op de begrafenis van de oma van iemand die met hem in een studentenhuis woonde, sprak een van de kleinkinderen over hoe haar opa en oma elkaar ontmoet hadden: opa had al die kerken afgezocht om haar oma te vinden.
Jan vond het een verhaal voor een lied. Toen het af was, liet hij het Maarten van Roozendaal lezen. De laatste strofe ontbrak nog. Maarten adviseerde: Je bent er bijna, maar je moet er je eigen grootouders van maken, daar wordt het lied veel sterker van. En je moet nog één couplet toevoegen, waarin je ze bezoekt in het nu

Verderop in het interview vertelt Jan Beuving dat die laatste regel voor sommigen verwarrend is: En zeg dan maar eens nee. Mensen vroegen of hij homoseksueel is. Hij bedoelde: Als jij tegenover een man zit die er alles aan gedaan heeft om z'n vrouw te krijgen, ja, zeg dan maar eens nee. [...] De moeite achter dat zinnetje, die dubbelzinnigheid, heb ik nooit erg gevonden. Ik ben heel erg pro homo. [...] Je kan het je goed voorstellen, ook omdat het in het lied over de kerk gaat, het geeft extra frictie om dat te moeten vertellen aan je opa. Nogmaals, ik ben me bewust geweest van die connotatie, maar ik heb die bewust in stand gehouden. Zo betekent het nog meer.

In veel van de gesprekken in dit boek van Mylou Frencken gaat het zo. Ze interviewde onder anderen Hans Dorrestijn, Youp van 't Hek, Freek de Jonge, Brigitte Kaandorp, Jeroen van Merwijk, Paul van Vliet en ook nog twee andere oud-studenten van de Koningstheateracademie: Katinka Polderman en Kiki Schippers. 



  


 

Archief 2017