Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Met ingang van 1 januari 2020 schrijf ik niet meer dagelijks,
maar wekelijks en laat ik de nummering weer los.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 16 - Tijl Nuyts: Vooraf

zaterdag 22 april 2017

Wanneer ik besmet raakte door Kuluri? Het moet ergens in de zomer van 1993 geweest zijn, toen ik op een eiland in de Middellandse Zee omsloten werd door een cirkel zwetende jongeren die een leren bal naar elkaar gooiden. De woorden die ze schreeuwden waren van een sierljke rauwheid: sommige van de klanken leek ik bijna te herkennen, andere waren mij volkomen vreemd.
Ook Kuluri heeft die klanken ontdekt. Meer nog: hij heeft er zijn handen aan vuilgemaakt. Het gerucht gaat dat hij geen witte lakens meer wil op hotel omdat hij zich geneert voor de kleuren die door de kamermeisjes ontdekt zullen worden.
Tijdens mijn speurtocht ben ik bj Kuluri thuis geweest. Urenlang heb ik me in zijn werkkamer opgesloten om in zijn schriften naar de stem van La Última te zoeken. De verzamelde werken van Gerard Manley Hopkins en Ibn 'Arabi ken ik onderhand uit mijn hoofd, de helikopter van de kleuter-krijger heb ik tot vijfmaal toe losgevezen en weer in elkaar geschroefd. Met zorg heb ik de diepte-interviews die ik onder de vlierboom met Kuluri's kinderen heb afgenomen getranscribeerd en van voetnoten voorzien. Wat ze vertelden was verontrustend.
Met een pocketwoordenboek Siculo-Arabisch en het laatste nummer van The Journal of Dairy Science in mijn aktentas ben ik Kuluri's sporen gevolgd tot in de gangen van de U-Bahn waar Arrak hem in anagrammen voorzag. Naam na naam heb ik er in de mond gekeken. Ik heb graffiti proberen te lezen met de kleurenblinde ogen van Azimut de Stoter en heb een fortuin neergeteld voor de nachttaxi die me naar de Himalaya bracht om er met de laatste jak te praten. Zijn stem en melk waren zuur, zijn woorden hoopgevend.
Sinds die zomer van 1993 zoek ik elke ochtend en avond wereldwijd naar Kuluri's naam op borden met vluchtinfo. Ik ben er nog niet zeker van of ik hem heb gevonden. Misschien breng jij het er beter van af.

Getekend Tijl Nuyts, Schaarbeek, oktober 2016. Dit is geen gedicht, maar het Vooraf in zijn debuutbundel Anagrammen van een blote keizer (zie ook hier). Wat een bundel! Nuyts is pas 23 jaar, studeerde Engelse en Spaanse taal- en letterkunde en Westerse literatuur. Ik was in zijn gedichten aan het lezen, maar het duizelde mij zo door al de allusies - niet alleen naar andere dichters en denkers, maar ook naar godsdiensten en zoveel meer. En door de vele motieven - vooral die kleuren. En door de personages die zich ontwikkelen - is dit lyriek of is het een poëtische roman? Het ik zoveel dat ik terug moet naar het begin. Dat is dat Vooraf. Of nee, daarvóór staat er nog iets, het citaat van Ludwig Wittgenstein: We staan daar, als de os voor de pas geverfde staldeur. Met deze bundel ben ik nog lang, nog lange niet klaar. 

Archief 2017