Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 15 - Gé Reinders: Selen Cobben Hein

maandag 10 april 2017

Bie ós aan de moer hingt 'n sjilderie van Selen Cobben Hein.
Selen is 'n gehucht, Cobben haet mit de boerderie te make
en veur ènne grootvader waar Hein 'n bietje klein.
Hae waar de vader van mien vader.
Ich kin neet zègke det ich 'm good höb gekós,
maar as kiendj veulde se dat idderein nao 'm loesterde
aan dae kantj van die familie van ós.

En tante Mie vertèlt det hae mós gaon wèrke
geliek nao de legere sjool -
zien mam waar toen net dood -,
det d'r sjmorges vreug in 't duuster nao de fabriek vertrok
óm dao sigare te make mit vaöl mismood.

Toch vónj ich 'm ènne zaachte aje man
dae nooit al te vaöl zag.
En in de sjuur bie 't kippevoor, dao hóng ènne tropenhelm:
ick hób altied gedach dat Ome Piet
dem oet Indië hat mitgebrach.

Ich zeen opa veur mich
in det café dao baove in d'n hemel,
wo 't altied zóndig is.
En hae hoof nooit meer wèrke,
hae hoof nooit meer nao de vespers
en ouch nimmeer nao de hoogmis.
En hae neuriet zaach mit...

En bie oze Ome Martien dao hadde ze ènnen biljart.
En bie Ome Bert sjtóng veur de deur 'n rieke klump en sjoon.
Ome Tun wae bie de sjótterie
en van hem en Tante Mie kreeg ik dit fotobook,
wie ich de plechtige kommunie mósde doon.

Ome Sjeng en Tante Nel vertokke nao Canada
in 't jaor van de watersnood -
mien mam is dao nog gewaes mit de wereldtentoonsjtelling.
Ich móch neet mit en ich waar héél kwaad,
det wei ich nag good.

Ich zeen ze veur mich
in det café dao baove in d'n hemel,
wo 't altied zóndig is.
Ze hove nooit meer werke,
ze hove nooit meer nao de vespers
en ouch nooit meer nao de gómmis.
En se zinge zaach...

1997


Eerst zong singer-songwriter Gé Reinders (1953) in het Engels en slechts sporadisch in zijn Limburgse dialect. Toen hij in 1993 als dichter-zanger een mini-cd in zijn streektaal uitbracht, twijfelde ik nog of zijn keuze om het Engels te verruilen voor het Limburgs wel zo verstandig was. Maar twee jaar later verscheen Truuk nao af en dat album vind ik nog altijd een van de grootste sensaties op cd-gebied.
Verschillende liederen - van Bram Vermeulen mocht ik geen
liedjes zeggen - van die cd zijn van een ontroerende schoonheid, zowel muzikaal als tekstueel. Reinders paart sfeervolle melodieën, waarin een kwarteeuw ervaring in en liefde voor de folk- en country-muziek doorklinkt, aan een zeer authentieke stijl van tekstschrijven.
Zijn onderwerpkeuze is persoonlijk en neigt zelfs naar het sentimentele als hij zingt over een bezoek aan de kostschool van zijn vader. Een lied met de vaststelling dat hij niet zou zijn geboren als zijn vader daar toen, als vanzelfsprekend haast, voor het priesterschap had gekozen. Of wanneer hij een gestorven vriend memoreert met wie hij, zo realiseert hij zich achteraf, nog zoveel te bepraten had.
Maar steeds geeft hij precies het juiste tegenwicht door zijn lyrische poëzie te mengen met nuchtere spreektaal en ontwapende en relativerende humor. Zo eindigt hij het lied over zijn slapende zoontje, naar wie hij altijd even gaat kijken als hij laat thuiskomt, met de strofe:

En mócht t'r emes zegke: waróm zingt dae macho neet euver 'n dochter?
Nou mevrouw, dochers höb ich gein.
Noe reimt dochter ouch neet op sjoon,
Maar óm te kieke nao zo'n klein sjlaopende maedje liekt mich net zo fijn
as óm te kieke nao miene sjlaopende zoon


Eind 1997 verscheen Reinders tweede Limburgse cd, getiteld  
Man van 'n kleine sjtad. Die is van dezelfde hoge kwaliteit, maar nog meer liederen handelen rechtstreeks over zijn persoonlijk leven. Zo maakt hij een rondje familie, zoals hij dat zelf noemt, via liedjes over zijn zoon, zijn vrouw, zijn ouders en zijn verdere familieleden. Een van die nummers is bovenstaand lied: Selen Cobben Hein. Gé Reinders: "Het begint over mijn Opa van vaderskant, maar later zag ik zijn kinderen er ook bij komen."
Het lied is een haast impressionistische schets door een kind dat de herinneringen van zijn katholieke jeugd schildert: Opa was klein, iedereen luisterde naar hem en er hing een tropenhelm in zijn schuur; Oom Martien had een biljart, Oom Teun was bij de schutterij en een andere oom en tante emigreerden in 1953 naar Canada... En nu, nu ziet hij ze voor zich in het café boven in de hemel, waar het altijd zondag is. Nee, niet
zondig, maar zondag. Ze hoeven nooit meer te werken, nooit meer naar de vespers en ook nooit meer naar de goeie mis (de hoogmis). En ze zingen zacht... Dan neuriet Reinders het Gloria In Excelsis Deo, een eerbetoon van Reinders familieleden aan God en van hemzelf aan zijn familie in den Hoge

 
 

Archief 2017