Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is
Carol Ann Duffy

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Nieuw is dat de dagen vanaf 1 januari 2019 zijn genummerd; op 31 december kom ik uit op 365.

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende.
Met de links hierna ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 12 - J.C. Bloem: Insomnia

zondag 19 maart 2017

Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
en niet slapend denk ik aan de dood,
En het leven vliedt gelijk het vlood,
En elk zijn is tot niet zijn geschapen.

Hoe onmachtig klinkt het schriel 'te wapen',
Waar de levenswil ten strijd mee noodt,
Naast der doodsklaroenen schrille stoot,
Die de grijsaards oproept met de knapen.

Evenals een vrouw, die eens zich gaf,
Baren moet, of ze al dan niet wil baren,
Want het kind is groeiende in haar schoot,

Is elk wezen zwanger van de dood,
En het voorbestemde doel van 't paren,
Is niet minder dan de wieg het graf.

1952


Toen lezers van NRC-Handelsblad in 2000 hun favoriete gedicht mochten insturen, leidde dat tot een top honderd, waarin twee dichters eruit springen met ieder maar liefst zeven werken: Martinus Nijhoff (zie hier en hier) en J.C. Bloem. De keuze voor Martinus Nijhoff ligt voor de hand, vanwege prachtige, aansprekende gedichten als De moeder de vrouw, De wolken en Het kind en ik. Maar J.C. Bloem is veel minder geliefd door zijn gedichten dan door steeds enkele treffende regels eruit, zoals Denkend aan de dood kan ik niet slapen en niet slapend denk ik aan de dood (zie hierboven), Altijd november, altijd regen, altijd dit lege hart (uit November), Natuur is voor tevredenen of legen. En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant en bovenal Domweg gelukkig in de Dapperstraat (beide uit De Dapperstraat). 

Vandaag toch maar eens een volledig gedicht van J.C. Bloem (1887-1966) om uit te leggen waarom ik altijd minder heb gehad met de man en zijn werk. Kort door de bocht: Bloem was een klaploper wiens leven nog net niet ontspoordde door de liefde en toewijding die hij ontving van de twintig jaar jongere schrijfster Clara Eggink (1906-1991). Tegenpolen, want hij was dik, dronken, karakterloos en lui en zij was mooi, sportief, dynamisch en ambitieus. Ondanks enkele breuken in hun relatie - zo trouwde zij tussendoor met schrijver Jan Campert (over wie hier meer) - kwamen zij toch steeds weer samen, tot aan zijn dood toe.

Maar liever een onaangenaam persoon - Bloem voelde zich in de jaren twintig en dertig ook nog eens erg aangetrokken door het fascisme, was lid van de NSB, bewonderde Hitler en Mussolini en noemde het Derde Rijk een bewonderenswaardige schepping - dan een slechte dichter. Maar... ook met zijn thematiek kan ik mij moeilijk verenigen. Verlangen naar idealen die niet bestonden of bestaan en die dus je hele leven onbevredigd blijven... En: we zijn op de wereld om... te sterven. Zie bovenstaand gedicht: elk zijn is tot niet zijn geschapen. En: een vrouw moet baren of ze wil of niet als het kind groeit in haar schoot. Wat is immers het voorbestemde doel van 't paren? Volgens Bloem: niet minder dan de wieg het graf. Immers: elk wezen is zwanger van de dood.

Niks tegen melancholie en weemoedigheid en bijna elk licht gedicht ruil ik in voor zwaarmoediger thematiek. Maar Bloems fatalisme... 

Archief 2017