Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 11 - Ed Leeflang: Als Paulus

woensdag 15 maart 2017

Wij kijken zonder hoop in wie dan ook,
de kin nadert de romp steeds meer.
Het naslagwerk in onze handen
leidt af, zij leggen het haast neer.

Ons voorhoofd fronst zich in het spottend licht,
wenkbrauwen kwamen van het vorsen
tenslotte tot hun hoogste standen.

In ons gezicht versteent de wang,
oogranden hebben zich verwijd;
het wil niet staan naar hoon
en niet naar stank, naar zelfverwijt.
En het weerstaat de aanvechting daartoe.

Nu zal het buiten weer zijn
dat voor buren iets betekent, maar
wij zijn alleen en onderweg is onze blik,
die zich heeft afgewend van wandel,
naar de spiegel toe.

1984 




Voor een gedicht van Ed Leeflang (en hier en hier) is elke dag een aanleiding, maar de keuze voor juist dit gedicht heeft alles te maken met het verschijnen van de bundel Het oog van de dichter, waarin Anton Korteweg vijfentwintig gedichten over vijfentwintig schilderijen bespreekt. Schitterende uitgave, waarop ik in deze rubriek nog wel vaker zal terugkomen.


Ed Leeflang was niet alleen een kunstkijker, maar ook een -kenner. Urenlang stond hij in mijn huis naar de werken van Co Westerik te kijken. Die aandacht zie je ook terug in zijn beschrijving van Rembrandts schilderij: de kin nadert de romp steeds meer, ons voorhoofd fronst zich, wenkbrauwen kwamen [...] tenslotte tot hun hoogste standen... En dan keert hij, in de derde strofe, naar binnen toe: In ons gezicht versteent de wang, oogranden hebben zich verwijd... Dat lijkt nog letterlijk, maar er zit al een gedachte achter...

Nu zal het buiten weer zijn, is een Leeflang-regel. Vol ambiguïteit rond dat woordje weer. Nee, niet opnieuw, maar klimatologisch. Weer [...] dat voor de buren iets betekent, maar de man op het schilderij heeft zich afgekeerd van wandel...

Anton Korteweg weet dat ook Rutger Kopland (en hier en hier) een gedicht over dit schilderij schreef. Ook dat citeer ik:

Ik kijk in het portret en het begint
te leven - voor mijn ogen verandert langzaam
de blik waarmee hij mij aankijkt

even glimacht het - alsof het zich verontschuldigde
voor zijn aanwezigheid en voor de vragen
die hij bij mij oproept

dan krijgt het iets peinzends - met een zweem
van meewarigheid, van twijfel
van milde spot

maar misschien is het ook teleurstelling
de melancholie van een man die in zichzelf kijkt
en ziet hoeveel er voorbij is

was dit het wat hij zag?


Rutger Kopland kijkt naar een schilderij; Ed Leeflang ziet zichzelf...


Archief 2017