Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 11 - Alex Roeka: Nog altijd samen

maandag 13 maart 2017

[Beluister hier]

Vanavond moet ik aan je denken,
de dagen jagen voort.
Ook al blijft ze onbegrepen:
de liefde wil het laatste woord.
Hoe we ooit samen waren,
diep in elkaar gehaakt
en ongemerkt, door de jaren,
van elkaar zijn weggeraakt.

     En ik hoor je stap, je stem, je zucht, je bezige handen;
     ik proef je mond, je tong, je adem, je geheim.
     Ik voel je hals, je rug, je buik, je tanden
     in mijn huid en dat we eigenlijk nog altijd samen zijn.

Ik ben naar weet-niet-waar gereden,
door niemandsland en woestenij,
maar in plaats van te vergeten,
kwam je alsmaar dichterbij.
Rode rafels aan het luchtspook
als de late avond viel;
die vale kraai daar op de vluchtstrook,
dat was mijn verdwaalde ziel.

     En ik ruik je haar, je hemd, je sjaal, je zomerkleren;
     ik zie je weer als toen je aankwam met de trein.
     Ik voel je blik, je trots, je trouw bij al de keren
     dat je bleef en dat we eigenlijk nog altijd samen zijn.

Ik praat en lach nog met mijn vrienden,
zoek de tijdgeest in Berlijn;
voel me vrij om rond te vliegen,
maar die vrijheid is maar schijn.
Mijn verlangen is bedorven
als te vroeg gevallen fruit;
eigenlijk ben ik al gestorven,
zit alleen mijn tijd nog uit.

     En ik zie de gang, het huis, het licht in de gordijnen;
     ik ruik de dagelijkse genade van de wijn.
     Ik weet dat van mijn huid het teken niet meer verdwijnen
     zal en dat we eigenlijk nog altijd samen zijn,
     dat we tot het einde samen zijn.

2015


Al twee keer eerder schreef ik dit jaar in deze rubriek over hem: in januari en, naar aanleiding van zijn nominatie voor de Annie M.G. Schmidt-prijs, afgelopen week. Dat ik ook vandaag een tekst van hem kies, is omdat hij zondagmiddag in de Verkadefabriek optrad en daar dit lied zong.

In januari schreef ik al dat hij in 2008 met de theatervoorstelling en cd
Beet van Liefde een hartstochtelijke ode bracht aan het liefdesverbond met Anne, de Vlaamse vrouw met wie hij sinds 2007 in Antwerpen woont. De scherpe pijn om en het grote schuldgevoel over de abrupte breuk met zijn vrouw en zoon kon hij pas na twee jaar voor het eerst onder woorden brengen, zoals in Lied van een vader voor zijn zoon (lees en beluister hier). En omdat zoiets niet slijt, sluipt die melancholie steeds weer zijn hoofd en dus zijn liederen binnen, zoals in het bovenstaande, afkomstig van zijn meest recente cd, Voort, uit 2015. 

De zondagavond na zijn optreden brachten we gisteren samen door en toen spraken we daar natuurlijk ook over. Over dat er geen ontkomen aan is dat ze met elkaar bestaan, hoe slecht ze elkaar soms ook verdragen: geluk en rouw.
In zijn theaterprogramma
Losse nummers (1992) stelde Freek de Jonge dat hij het voorrecht heeft gehad zowel zijn vader als zijn zoon te begraven. Hij bedoelde natuurlijk: alleen uit leed wordt kunst geboren, om met Annie M.G. Schmidt (en hier) te spreken. Wie veel heeft meegemaakt, is een rijker mens dan wie leed bespaard blijft en voor de kunstenaar is het de grootste bron van inspiratie.

Hier in huis keek Alex zeer aandachtig naar het werk van Co Westerik, die hij bewondert. "Elke tekening en prent van hem is steeds een verhaal op zichzelf", stelde hij. Dat geldt natuurlijk ook voor elk goed lied, zoals dit dus.

Donderdag noemde ik al zijn gebruik van klankrijmen (assonantie). In
Nog altijd samen levert dat - met geheim en zijn - de mooiste zin op. Fraaie kuise dekking van een seksuele handeling: ik proef [...] je geheim, want elke andere formulering maakt het plat.
Mooi ook de enjambementen in alle refreinen, zoals:
je tanden (als rijm op handen) in je huid.
Dubbelrijm daarentegen wordt altijd meer met het hoofd dan het hart bedacht: luchtspook en vluchtstrook. Bovendien vraagt een luisteraar zich na Rode rafels aan het luchtspook vast af wat de zanger daarnet in godsnaam zong, waarna hem de volgende zinnen ontgaan.
Is dat kritiek? Ja, maar niet belangrijker dan dat een negen er een achtenhalf van wordt. Grote dichter-zanger!

 

     

Archief 2017