Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 8 - Michel van der Plas: Wind

zaterdag 25 februari 2017

Vanmorgen is de grote wind gekomen
met een almachtige krachtige veeg
en heeft de laatste wolken meegenomen,
en heel de hemel is weer blauw en leeg.

Het is voorbij, jouw regen en het stromen
over mijn ziel. Al wat ik van je kreeg
is weer doodstil en brengt niets meer teweeg.
Je beeld is uitgewist, zelfs in mijn dromen.

Ik lig alleen en hoor de verre hanen.
Alleen de oude dingen zijn weer waar,
de kale uren en de arme wanen.
En toch, ik ben je kind nog, en de tranen
waarvoor ik vreesde zijn er maar een paar.
Dag vader, we zijn haast weer bij elkaar.

1991



Voor mijn monografie - getiteld Van veel te veel een spaarzaam deel en in 1993 verschenen bij Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar - zat ik vele ochtenden achtereen te praten met de persoon Ben Brinkel in de Aerdenhoutse werkkamer van schrijver Michel van der Plas. Kunt u mij volgen? Ben Brinkel en Michel van der Plas zijn dezelfden en toch ook niet natuurlijk. Ik zou beiden tekort doen als ik het in deze rubriek bij de bijdrage van gisteren zou laten. Daarom vandaag nog drie gedichten van zijn hand, waaronder het bovenstaande.

Ik citeer opnieuw uit Van veel te veel een spaarzaam deel:

Voor de bundel Going mij way kreeg hij in 1949 de Jan Campert-prijs, een het jaar daarvoor ingestelde prijs voor een nieuwe dichtbundel. Daarna verscheen er tot 1965 bijna jaarlijks nieuwe poëzie van zijn hand en al spoedig werd zijn werk geroemd vanwege de geheel eigen toon. 
Maar onder meer uit verzet tegen de anekdotische poëzie zoals Bertus Aaafjes, Ed. Hoornik, M. Vasalis en jongelingen als Guillaume van der Graft, Hans Warren en Michel van der Plas die schreven, kwam in het begin van de jaren vijftig een geheel nieuwe, experimentele dichtersgroep op: de Vijftigers.

Michel van der Plas: "Nee, met die poëzie had ik niets op; zij was mij volkomen vreemd. Ik heb er in poëziekritieken die ik voor Elsevier schreef ook tegen geageerd, herinner ik me. Ik was door mijn opvoeding en door het onderwijs dat ik genoot, natuurlijk hèt voorbeeld van de anti-revolutionair. Ik was opgegroeid met de traditie en ik had geleerd steeds met bewondering en respect 'achterom' te kijken, juist omdat je van de geschiedenis zoveel kunt leren. De Vijftigers daarentegen predikten de revolutie. Zij wilden de culturele bakens verzetten die ik zo had leren waarderen."

De poëzie van Gerrit Kouwenaar (en hier), Lucebert, Remco Campert (en hier), zoon van de naamgever van de Jan Campert-prijs, en veel andere vernieuwers betekende een ingrijpende verandering in ons poëziebesef. Daardoor zou de literaire kritiek jaren geen oog meer hebben voor de traditionele poëzie. Toen die in de jaren zestig dan wel weer 'mocht', liet Michel van der Plas zich inmiddels zo in beslag nemen door journalistieke en andere schrijfactiviteiten die zich aan hem opdrongen, dat de poëzie daarvan in de schaduw was komen te staan. Toch verscheen er nog een aantal dichtbundels van zijn hand; in 1991 de (voorlopig) laatste, waarmee het totaal op ongeveer twintig komt.

Die meest recente, Vaderland, is zijn beste en dat zegt Van der Plas daarin zelfs letterlijk.

Een pijpje en een zakdoek en een ring.
Meer is er niet van je overgebleven.
Zo kan de tijd een mensenleven zeven
en wordt de dierbaarste een vreemdeling.

In een laatje ligt er drie maal een ding.
En de verhalen die er nog aan kleven,
gaan op den duur als verbeeldingen zweven.
Een pijpje en een zakdoek en een ring.

Alsof ik niet veel meer van je ontving,
tot en met al wat hier staat opgeschreven
in de mooiste gedichten van mijn leven.
Die zijn voorbij. Per slot van rekening
is dit het, en dan nog maar soms, en even:
een pijpje en een zakdoek en een ring.


Michel van der Plas: "Het schrijven van Vaderland was een wonderbaarlijke ervaring en zeker de meest bijzondere van mijn hele schrijversleven. Ik denk daar nog heel vaak aan terug. Ik werkte aan mijn biografie over Guido Gezelle. Natuurlijk kwam door het schrijven over deze priester-dichter, die ik dus al vanaf mijn veertiende zo bewonder, mijn jeugd en met name die seminarietijd opnieuw naar boven. En toen gebeurde er iets vreemds. Het was op een zekere dag net of ik met mijn overleden vader in gesprek raakte, of hij zich vanuit het hiernamaals aan mij opdrong. Hij vertelde me dingen uit zijn eigen leven en gebeurtenissen uit mijn jeugd die ik mij niet (meer) herinnerde."

Het regent uit de eeuwigheid. Het is
alsof je voelde hoe lang ik daarop wachtte.
Er vallen dikke druppels op mijn nachten,
de laatste bui van jouw geschiedenis.

Ik wist al niet meer of je wel eens lachte.
Nu hoor ik je weer fluiten na de mis,
zie ik je aankomen met vrijdagvis
en stapels geld tellen 's avonds na achten.

Je bent terug in pijpestelen tegen
mijn raam. Met je gezicht, je stem, je hoed,
met elk verdriet dat jou heeft klein gekregen,
en met de raffel van je weesgegroet.
Het giet al. En ik loop je, door die regen,
weer als een kleine jongen tegemoet.


Michel van der Plas: "In één maand tijd - sneller dan ooit - heb ik zijn 'bezoek' in achtendertig sonnetten vastgelegd. Wat ook zo merkwaardig is: het was net of mijn vader daarna plotseling weer weg was, of hij alles nu wel verteld had en het contact dus weer verbrak. Ik ben van zijn onverwachte visite ondersteboven geweest. Vroeger hebben wij zo slecht met elkaar kunnen praten. Ik was al jong het huis uit en wij hadden tot twee keer toe een groot conflict over de eigen wjze waarop ik mijn leven wilde inrichten - heel anders dan hem voor ogen stond. De eerste keer toen ik aangaf dat ik priester wilde worden; de tweede keer omdat ik een toekomst als journalist en dichter boven de handel verkoos. Het was net of het nu wèl kon." 

"Er zijn zelfs momenten geweest waarop ik hem wilde vragen waar hij nu was, want ik ben opgevoed met begrippen als hemel, hel en vagevuur. Dat heb ik uiteindelijk toch niet aangedurfd. Juist nu ik zelf op de kwetsbare leeftijd ben gekomen dat er bij de poort misschien al aan mij gedacht wordt, zou het mijn eigen voorstelling van de hemel kunnen verstoren, hoe vaag en kinderlijk dat beeld dan ook is. Bovendien: dat hij met mij in contact kon treden, was toch al het bewijs dat het wel goed zat."

"Ik kan niet in woorden uitdrukken hoe ik hem en ons 'gesprek' in de weken daarna heb gemist. Ik heb weleens op deze werkkamer op hem zitten wachten en mij afgevraagd: waarom komt hij nu niet?"

En dan volgt het gedicht waarmee deze rubriek begint.

Aan de poort werd nog niet aan hem gedacht. Dat was godzijdank pas twintig jaar later. Intussen hadden we elkaar nog maar sporadisch gezien. In 2012 werkte ik mee aan de documentaire Schrijver in de schaduw, ter gelegenheid van zijn 85ste verjaardag. Televisiemaker Stijn Fens vertelde me tijdens de gesprekken met mij dat het toen al heel slecht met hem ging.

Ik nam mij voor hem nog te bellen, maar toen ik de breekbare beelden zag, besloot ik ervan af te zien. Na zijn dood denk ik nog vaak aan hem...

Archief 2017