Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 7 - Mieke van Zonneveld: Veldslag

dinsdag 14 februari 2017

Mijn lichaam was een huis waarin ik ruimschoots paste.
Ik klampte me aan knuffels vast, bad Here, houd ook
deze nacht, viel knieën stuk maar beterde behendig.

Had ik griep, dan trokken leukocyten als een leger op,
vernietigden het virus en onthielden zijn tactiek.

Maar het leger pleegt vandaag een staatsgreep
in mijn beenmerg. Erytrocyten en trombocyten
slaan samen op de vlucht, Mjn organen krijgen
amper lucht.

Ook bloed ik op vreemde plekken.
In mijn benen, in mijn oogwit, uit de minuscule
gaatjes in mijn aderen geprikt.

Mijn borstbeen moet doorboord, een naald
extraheert vocht, het magma uit mijn binnenste
wordt grondig onderzocht.

Een commandant in witte jas onthult zijn strategie:
'Deze veldslag winnen we met chemotherapie.
Maar het veld wordt wel beschadigd.'

Het wordt een uitgestrekt gevecht, een bloedbad
in een huis dat lekt.

En ik ga slapen. Ik ben moe.
Ik sluit mijn beide ogen toe. `

2017



Je leest op de achterkant van de bundel: Onder de woorden sluimert voortdurend het risico om uit het volle leven geknipt te worden. Dat geeft al te denken. En het motto voorin komt van Ramses Shaffy:

Maar we leven nog, maar we leven nog
We leven nog, ja, we leven nog
Maar we leven nog, maar we leven nog
We leven nog en niet zeuren.


Bij het lezen van de eerste gedichten weet je het steeds zekerder: er is iets aan de hand met dat leven van Mieke van Zonneveld, toch pas 27 jaar. Dan kom je op pagina 19. Titel: Acute promyelocytenleukemie. Nu weet je het zeker. 

Nog nooit zo stug geworteld in de grond als toen ik dreigde
los te schieten, mijn dromen teruggebracht tot een verlangen naar
remissie. Hangend aan prognoses zonk ik weg in zwarte
gaten en verwachtte hemelkoren. Ik repeteerde een herrijzenis
en leerde twijfel in de kiem te smoren.

Ik dank mijn leven aan een reeks toevalligheden. Wat als
ik die avond was gaan slapen, wat als ik mijn hoofd die nacht
te hard had neergelegd, wat als ATRA-pillen nog niet waren
ontdekt? Ik dacht:

de hel is feloranje als de vloeistof in dit zakje, het brandt
onbedaarlijk in mijn aderen. Maar tranen moeten teruggedrongen
want er komen mensen om een onverschrokken meisje
te bewonderen. 'Hoe gaat het?' 'Het gaat goed.
Ik ben nog steeds niet leeggebloed'. Ik dacht:

dit bange vallen wordt maar beter niet alleen beleefd, één
vingerknip en weg ben ik, zo lang als toeval het beschikt.
Dit zinneloze tuimelen wordt beter niet beleefd.
Al is het maar een parabool, al daal ik nooit te diep,
het gat is zwart en ik zo bang, zo godvergeten ziek.


Begint hier het populaire zelfhulpboek? Allerminst, want daarvoor is zij - zie hierna: ze geeft gedichten over - als dichteres veel te sterk; niet alleen door haar trefzekerde taal, maar ook door al die beklemmende half- en vol-, binnen- en eindrijmen waaraan je al lezend niet kunt ontkomen.

Tussen levenslust en doodsdrift
hurkt een uitgemergeld meisje.
Voed haar of dood haar.

Ze geeft gedichten over en bestaat
bij de gratie van zeer
blauwe ogen

die voeden noch doden.
Zo ligt ze dobberend
in een woonboot op de Styx

twistend met de bode
van het niks. De eeuwige vragen
naar prijs en gewicht

liggen zwaar op de maag
van een meisje zo licht.
Ze wil niet oversteken maar

herrijzen in jouw blik. Ze wil
weten hoe weinig ze moet eten,
hoeveel kots het kost om te passen

in jouw leven. Ze wil morrelen
aan regels van een ombarmhartig 
spel en een compromis bepleiten:

welke omvang wil je wel?


Steeds verder laat zij de lezer binnentreden in de poëzie van haar behandelplan: strijdbaar en machteloos, doodziek en verdrietig, wanhopig en verwachtingsvol...

Ze ontkoppelt mijn infuus en ik sta op en wandel.
Het bloed hangt in de wacht terwijl ik aan haar hand
naar de badkamer stap.

Mijn lichaam was nog nooit zo blank en glad. 

Ze zet me op een kruk onder kletterend water.
Fantoomgeluk, ik kwispel met mijn afgeknipte staart.

Zij waakt, zij gaat niet weg. Alleen als ik moet plassen
in een bakje en dan nog: haar blik wacht om de hoek.

Je tong heeft geen verweer als je bloed capituleert.
Ik ben een meisje dat zich wast, een geïnfecteerd
moeras maar bovenal een hond die op zijn baasje wacht.

Ze zegt me te gaan staan, droogt me af en lijnt me aan.


Leger heet het debuut van Mieke van Zonneveld. De ambiguïteit van onder meer het gedicht van vandaag: over het leger dat, anders dan toen het haar als kind juist bijstond om de griep te elimineren, met kankercellen aanvalt. En natuurlijk bovenal leger als de leegte die haar na dat slagveld rest. Maar er is het slotgedicht dat begint met: er is geen leger of hij deserteert. is er hoop? Ze is leger nu, maar leeft.  

Er is geen leger of hij deserteert. Hij tekent de contouren
van een onneembare stad en oordeelt: dat was dat.

Er is een route door het duin die hij verzuimt te fietsen,
bevangen door geklapte jaloezie. Hem wacht

een stille hartstocht op die langs de halmen wuift.
Een afgelegen meisje spreidt een kleed en rekt zich uit.

Ze weet zich opgelicht door een gerichte blik omlaag
en spelt absentheïsme met een h.

Geen opstand zo gelaten en geen aftocht zo bedeesd.

Ze is leger nu, maar leeft. 

Archief 2017