Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 3 - Remco Campert: Januari 1943

woensdag 18 januari 2017

Ik liep over het karrespoor
op een krakende winterdag

mijn moeder kwam me tegemoet
figuurtje in de verte

de nacht ervoor droomde ik
dat ik een scheepje zeilen deed

mijn hand streelde het kroos
in de blikkerende schoot

het scheepje zeilde naar de overkant
en raakte klem in het oevergras

ik keek op en zag mijn vader staan
hij stak zijn arm door prikkeldraad

hij keek me smekend aan
mijn vader vroeg aan mij om brood.

1983


Het gedicht is nog niet af. Of beter gezegd: dit is het eerste gedicht van een cyclus van drie gedichten. Mijn hand streelde het kroos schrijft Remco Campert (en hier en hier) en natuurlijk verwijst hij daarmee naar Het kind en ik van Martinus Nijhoff. Daarin gaat, door het kroos weg te scheppen, een nieuwe wereld voor de ik-figuur open en hij is bij het kind, de herinnering, het onbewuste... De ik-figuur in het bovenstaande gedicht streelde het kroos, want hij is bang voor wat hij ziet als hij het weg zou scheppen: de vader, het heden, de realiteit... Zijn bootje deint dan ook niet op het bevende water, maar het scheepje raakte klem in het oevergras. Door de titel van het gedicht en de laatste tweede strofen weet de lezer al wat voor verschrikkelijks er aan de hand is: mijn vader achter prikkeldraad, smekend om brood...


Op die landweg moeder

hield je me minuten vast

je ogen waren rood
je jas die rook naar stad

de Duitser had per kaart gemeld
mijn vader hij was dood

in Neuengamme bitter oord
daar hadden ze hem vermoord.



Die moeder was actrice Joekie Broedelet (1903-1996), aan wie de zoon zijn gedicht opdraagt. Die vader was Jan Campert: journalist, dichter, schrijver en... verzetsman. In 1928 waren Broedelet en Campert getrouwd en in 1929 werd zoon Remco geboren. In 1932 gingen de vader en moeder alweer uit elkaar. Dat laatste verklaart de openingsstrofe en veel van de gedachten daarna binnen het derde en laatste vers. Maar in de laatste drie strofen is de jongen weer voor altijd zijn vaders zoon.

Ik voelde niets
maar wist dat ik iets voelen moest

keek langs mijn moeders mouw
naar het lokkend bos

pas toen het kon vertelde ik honderduit
over wat me werkelijk bezighield

de strik die ik had gezet
voor het konijnehol

de hut die ik aan het bouwen was
in de boom die niemand kende

eerst later voelde ik de pijn
die niet meer overging

die nog mijn lijf doortrekt
nu ik dit schrijf

lang geleden toch dichtbij
de tijd duurt één mens lang.


Eigenlijk had ik vanochtend willen schrijven over een ander gedicht van Remco Campert, maar ik dacht opeens aan dit vers. Ik moet veel aan hem denken de laatste weken, omdat
de tijd slechts één mens lang duurt. Ik heb het idee dat de dichter, ook door zijn hoge leeftijd, inmiddels uit de schaduw is gekropen van grote tijdgenoten als Hugo Claus, Gerrit Kouwenaar (en hier) en Bert Schierbeek. Hoe terecht dat is, hoop ik de komende weken nog aan te tonen.

De tijd duurt één mens lang gold natuurlijk ook voor Jan Campert. Geboren augustus 1902, opgepakt juli 1942 (nadat hij opnieuw joden naar België hielp ontsnappen) en gestorven, in Neuengamme bitter oord, januari 1943. Hij was toen dus pas veertig jaar.
Hij is als dichter niet bekend door een oeuvre, maar vooral van één gedicht:
Het lied der achttien dooden. Later is het vaak gelezen alsof het over hemzelf gaat, maar hij schreef het al in 1941. Dit naar aanleiding van de executie van vijftien verzetslieden, maart 1941. Hoe moet het hem zijn vergaan, die laatste levensuren, toen hem overkwam wat hij zich eerder reeds had voorgesteld...
Ook dat imposante gedicht wil ik jou, lezer, tot slot niet onthouden.

Een cel is maar twee meer lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien.
Wij waren achttien in getal,
geen zal de avond zien.

O lieflijkheid van licht en land,
van Hollands vrije kust,
eens door de vijand overmand
had ik geen uur meer rust.
Wat kan een man, oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijd'le strijd.

Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar 't hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd,
voordat een vloekb're schennershand
het anders heeft begeerd.

Voordat die eeden breekt en bralt,
het miss'lijk stuk bestond
en Hollands landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk Germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.

De Rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie -
zoo waar als ik straks dood zal zijn,
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar -
verwerp al wat hij biedt of bood,
die sluwe vogelaar.

Gedenkt wie deze woorden leest,
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan 't allermeest,
in hunnen rampspoed groot,
gelijk ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk -
er daagt een dag na elken nacht,
voorbij trekt ied're olk.

Ik zie hoe 't eerste morgenlicht
door 't hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht -
en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw gená,
opdat ik heenga als een man
als 'k voor de loopen sta.

Archief 2017