Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is
Carol Ann Duffy

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Nieuw is dat de dagen vanaf 1 januari 2019 zijn genummerd; op 31 december kom ik uit op 365.

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende.
Met de links hierna ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 2 - Willem van Toorn: En Erik

dinsdag 10 januari 2017

Zoveel stijl in het zicht van de dood,
waar verdient een mens het aan
of valt er niks te verdienen
en zijn het voormoeders, genen -
uit een schoot van eeuwen geleden
at random in jouw lijf geraakt?

----

Nee, dan mijn vriend Erik,
de laatste bedachtzame spreker
tussen kletsmeiers. Over Buffon
en Linnaeus en hoe hun systemen
verwezen naar het bestaande
sprak hij graag. Maar boze goden

waar hij niet in geloofde
vonden dat het mooi was geweest
met dat zorgvuldige leven.
Dus na alles wat hij had geleden -
een nier vervangen, zijn lever -

en nors maar hoffelijk doorstaan,
moest de kanker in zijn tong, die sneden
ze half weg zodat hij alleen nog
grommen kon als een beest.
Hij, spreker van helderheden.

Ik kwam langs. Hij stonk naar de dood.
Kwijl op zijn hemd. Vergeef me,
maar wat helpt het als ik het niet zeg.
Ik zat bij zijn bed. We zwegen

of pakten zijn blocnote en schreven
minuscule brieven. Van muziek. Gelezen
had hij Camus. Hij herlas

mijn gedichten ook. "De meeste
bevallen me nog." Lieve god,
ik zou ze allemaal opgeven
als hij nog wat bleef.

En uiteindelijk, in martelend scheve
letters met dodelijk geduld
schreef hij: niemand heeft schuld.

2013


Is het mogelijk met zijn poëzie - zijn kinderhand van taal - de Dood te bezweren? Nee, maar de aangeslagen dichter moet toch wat. Willem van Toorns Bezweringen zijn geschreven om dierbare overledenen te eren, om het verlies onder woorden te brengen en zich te realiseren dat zijn leven doorgaat - nog wel, want hij weet dat de dood in de schaduw wacht. Oftewel: Pluk de dag die voor je ligt zolang het duren mag.

Het is nogal: wat schrijver (van ruim een halve eeuw vol romans, verhalen, gedichten, essays, toneelteksten, vertalingen en jeugdboeken) Willem van Toorn (1935) overkwam. In Bezweringen (2013), ontegenzeglijk de mooiste van zijn vijftien gedichtenbundels, herdenkt hij maar liefst tien gestorvenen: vijf bevriende collega-dichters (Herman de Coninck, Guillaume van der Graft, Hans Faverey, Cor Jellema en Stephen Watson), vier directe familieleden (zijn broer, zijn zus en twee schoonuzssen - allen gestorven tussen 2009 en 2012) en, in het bovenstaande gedicht, zijn beste vriend: historicus Erik Bloemen, overleden in 2011.

Ook in Bezweringen haalt Willem van Toorn vaak de natuur - onze zachte vijand - aan: landen (Zuid-Afrika), streken (Bretagne), steden (Montaillou), dorpjes (Neuvy-Saint-Sépulchre), gehuchten (Le Petit Jouhet), landschappen (Duits laagland), seizoenen (natuurlijk de winter),... - decors van het leven. Alsof het theater is: Je loopt erin. Theater vroom van najaar. Scherp tot in de verste diepte...Leven dat wij proberen te doorgronden: alsof we werkelijk iets van de dood begrijpen als we lijnen trekken...
Vaak (of in de titel van een gedicht of in zijn aantekeningen achterin de bundel) noemt hij de precieze locatie, zoals in onderstaand gedicht het Amstelpark: een déjeuner sur l'herbe, zoals Manet dat schilderde, maar dat niet voor niets grenst aan begraafplaats Zorgvlied. Voorafgaand aan die cylcus persoonlijke poëtische portretten brengt hij zijn gezelschap van overledenen daar samen - als onder een tijdloze stolp. Ze aan elkaar voorstellen hoeft niet, immers: jullie kennen elkaar uit dat hoofd van mij.

Park is een mooie gedachte -
alsof we werkelijk iets
van de dood begrijpen als we lijnen
trekken waarbinnen het grote verdwijnen 
draaglijk lijkt. Onze zachte

vijand natuur laat zich leiden -
harmonie van gegroeid en gemaakt:
het pad dat ons terugvoert naar
een begin, de doolhof voor dwergen
met hagen tot heuphoogte, de vijver
met zijn gerustgesteld water.

Ik schilder voor jullie maar
met mijn kinderhand van taal
dit déjeuner sur l'herbe.
Daar zitten we allemaal,
jullie zo dood als een pier,
maar luid als een vrolijke schoolreis.

Ik stel niemand voor, jullie kennen
elkaar uit dat hoofd van mij,
mijn doden van plezier.
(De nieuwsgierige wandelaar
die zojuist mijn leven passeert
ziet alleen mij zitten hier.)

Park. Nu gaat niets meer voorbij.
Het water staat stil, een wolk
aan zijn onzichtbare draad
drijft niet verder. De voet
van die daarnette wandelaar

hangt bewegingsloos boven het gras,
precies naast een vrolijke roos.
Landschap waar ons leven in was -
nu onder een stolp tijdloos.



 

Archief 2017