Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 2 - Hans Vlek: Een geslaagd gedicht

maandag 09 januari 2017

Gisterenavond, 'k lag geborgen
in de adem van de nacht, droomde
ik van een geslaagd gedicht.
De regels kwamen als vanzelf

en stonden spoedig als kleine,
lichtende brandingsgolfjes in
harmonieus gelid tegen het
donkere plafond te kabbelen.

Ik zag het al bijna op papier
in cohorten van vier maal vier.
Het was een volmaakt gedicht dat
weergaf waarop ik al weken broedde.

Toch, in een roes van poëtische 
overvloed, ben ik niet opgestaan
om het te schrijven en heeft
het ding de morgen niet gehaald.

Waarvan akte.

1986


Gek Vlek verzuchtte ik als ik dichter Hans Vlek (1947-2016) weer eens door de Bossche Kerkstraat zag lopen terwijl hij keihard uit eigen en andersmans werk citeerde of gewoonweg liep te razen en te tieren. En dichter Ed Leeflang, in die jaren onder meer presentator van de Nacht van de Poëzie, heb ik twee keer onder tafel zien duiken tijdens etentjes in restaurants in diezelfde straat. Gek Vlek, zei ik, want wij zaten aan het raam en ik hoorde hem alweer boven alle straatgeluiden uit schreeuwen. Jawel, daar kwam hij voorbij met altijd hetzelfde lichte jasje en die zwarte hoed. Waarom Ed onder tafel dook? Het was niet omdat hij met Leeflang op de vuist wilde, maar Gek Vlek zag hem al een tijdje aan voor een andere dichter, die blijkbaar iets verkeerd had gezegd of gedaan.

Anatomie voor moordenaars is de titel van zijn debuut, uit 1965. In de jaren zeventig was ik geabonneerd op het literaire tijdschrift Opwenteling en de gelijknamige Eindhovense uitgeverij gaf ook debuten van dichters uit. Die heb ik mij toen met terugwerkende kracht aangeschaft. Uit ruimtegebrek heb ik al die tijdschriften en debuten, waarin ik toch nooit meer keek, later weer weggegooid - nou ja, bijna allemaal, want die van Hans Vlek ligt hier voor mij. Blijkbaar zag ik toch iets in hem, al heb ik maar een paar van zijn (dertien) gedichtenbundels ooit gekocht.





Dat debuut,
Anatomie voor moordenaars, was zoals veel debuten: het belooft wat te worden; het is het nog niet. Maar ja, hij was toen ook pas 17 jaar oud! Het meest grappig vond ik nog dat hij de bundel aan zichzelf opdroeg: Voor mij, staat voorin. Uitgeverij Querido zag er wèl meteen wat in en ging zijn werk publiceren. Goed gezien, want Vlek brak door op zijn 20ste, met zijn derde bundel, getiteld Een warm hemd voor de winter (1968). Hij ontving er zowel de Reina Prinsen Geerlings-prijs als de Jan Campert-prijs voor.

In die jaren openbaarden zijn psychiatrische aandoeningen zich al. Hij liep letterlijk weg voor zijn manisch-depressieve karakter door in Marokko en later in Granada te gaan wonen. Maar dan zat hij opeens in de Bossche binnenstad weer een tijdje in een psychiatrische inrichting en zag en hoorde je hem vaker in en rond de Kerkstraat, nu ook wel eens met een fez op zijn hoofd in plaats van die hoed. 
In de loop der jaren werd zijn gekte erger en moest hij steeds vaker worden opgenomen. Toch moest zijn beste bundel, De Goddelijke Gekte (1986), nog verschijnen. Daaruit komt bovenstaand gedicht.

Naar aanleiding van die uitgave, na zes jaar zwijgen, interviewde H.M. van den Brink de dichter voor NRC-Handelsblad. Over die nieuwe poëzie moest het gesprek gaan. Van den Brink: "Maar dat wou hij niet. Hij wil eigenlijk nergens over spreken, al is hij onophoudelijk aan het woord." En Van den Brink besluit zijn onthutsende artikel als volgt: "De tijd heeft hier sinds 1970 niets meer veranderd, alleen stof neergelegd en een groezelige aanslag en de dichter ziet het niet. Hij rijmt, hij raast, hij redeneert en redekavelt zonder te beseffen dat hij tekeer gaat op een ijskoud geworden kermis, in gezelschap van hooguit een enkele redeloze gast tussen de stukken en de scherven op de ochtend na het feest."


Na 1996 heeft Hans Vlek niets meer gepubliceerd en ik denk dat hij de laatste twintig jaar van zijn leven nog amper buiten psychiatrische inrichtingen is geweest.
De documentaire die de VPRO in 2001 van het maakte in de Het uur van de Wolf-reeks vond ik tragisch. Daarin zegt Vlek, staand op zijn zolderverdieping in Granada, dat hij zich nog wel eens "genadeloos zal wreken op die halve garen in Nederland die denken met een schizofrene, narcistische arbeidsongeschikte te maken te hebben." Nee, we dachten het niet, we wisten het wel zeker.  

Kort na zijn dood, 2 juli 2016, vertelde dochter Roos aan het Brabants Dagblad dat ze hem de laatste jaren van zijn leven niet meer heeft bezocht: "Het werd te moeilijk voor me. De momenten van helderheid werden steeds minder." Toch hoopt ze dat mensen haar vader herinneren als dichter en niet als psychiatrische patiënt.
Door een gedicht van hem op te nemen in deze rubriek kom ik haar enigszins tegemoet. Maar in deze toelichting lukt mij dat niet. In mijn herinnering zie en hoor ik hem steeds weer razen en tieren rond het Kerkpleintje, bij Boekhandel Adr. Heinen en de Hervormde Kerk, waar ik alleen maar kon denken: Gek Vlek.
  

  

Archief 2017