Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 1 - Maarten van Roozendaal: Anniek

donderdag 05 januari 2017

Ik had je willen laten lopen
Laten fietsen, laten lachen
Laten zingen, laten dansen
Met de kinderen in de kring
Had ik je willen laten spelen
Laten hollen, laten gooien
Laten vallen, omdat je wist
Dat ik je dan toch wel ving
Ik had je zo graag maar even
Eén seconde laten leven
Ik wil je nu alleen niet laten gaan
Nu je maar net voor dit leven
Al dood bent gegaan

Kinderwagens, babykleertjes
Flesjes, luiers, teddybeertjes
Een box, een speen, een rammelaar
Een trappelzak, een duikelaar
Een moeder met haar kleine meisje
Een gezicht vol waterijsje
Meisjeskamer, stapelbed
Een kinderfiets, een autoped
En dan tot zes uur buiten spelen
Zandbak, vormpjes, zandkastelen
Boontjes, spruitjes, Brussels lof
Sesamstraat en dan alsof
Je nog uren op kunt blijven
Slaperig in je oogjes wrijven
En 's ochtends vroeg weer uit de veren
Rekenen en schrijven leren
Schoolmelk, Loco, leesplezier
Wanten, mutsen, speelkwartier
En één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven
Wie mag ik een zoentje geven
En als de laatste schoolbel belt
Naar het zwembad toegesneld
Een bommetje, de jongens nat
Hoge duikplank, zat patat
En dan naar huis met natte haren
Je bord met eten koud gaan staren
En na het Journaal op het eerste net
Moet je weer te vroeg naar bed
Maar 's ochtends vroeg, je groeit als kool
Fietsend naar de grote school
Snelbinders, je tas hangt scheef
Beugel, puistjes en je schreef
Je dagboek vol met ongelukken
Jongens, wat niet wilde lukken
Maar op een avond kom je dan
Met een of andere charlatan
Je beugel uit, je uit staan sloven
De TV is niks, we gaan naar boven
En paps, de paus, verklaart het nietig
Hij is niet boos, alleen verdrietig
En dan al na je zesde vriend
Ga jij het huis uit en je verdient
Zwart bij met duizend kopjes wassen
Je studie klaar, dus weer verkassen
Je nieuwe huis, net ingericht
Leuke planten, prettig licht
Je kijkt me aan en slaakt een gil
Want ik val om, mijn hart staat stil
En wat jij ook EHBO't
Het helpt geen zier, want paps is dood

Mocht ik jou al die tijd niet zien
Sta jij dan bij de poort, misschien
O, mijn lieve kleine meisje... 

1995
 

Mogen ze nog, de goede voornemens voor een nieuw jaar? In dat geval: weer wat vaker ruimte in deze rubriek voor de literaire liedtekst.

Ooit waren dans, muziek en tekst een onafscheidelijke eenheid. Niet voor niets dat kinderen graag dansen als zij een liedje zingen; door de bijbehorende bewegingen onthouden zij de tekst. De dans maakte zich vervolgens los van het geheel en wat overbleef, was het lied. Zelfs de zeventiende-eeuwse poëzie van Bredero is geschreven om te zingen.
Toen de poëtische tekst ook zonder muziek kon, was er het onderscheid tussen gedicht en liedtekst. Het gedicht kreeg een hogere status en het lied zakte in aanzien. Ten onrechte, want het verschil tussen een goed gedicht en een goede liedtekst is alleen maar dat je een lied bij de eerste beluistering - in het theater, op radio of op televisie - moet kunnen begrijpen (want waarom zou je anders luisteren); een gedicht kun je in je eigen tempo lezen en herlezen.

Met de opkomst van het lichtvoetige vers (light verse) is de waardering voor de literaire liedtekst weer gestegen, maar auteurs als Jan Boerstoel, Hans Dorrestijn, Kees Torn, Guus Vleugel en Ivo de Wijs ontbreken nog altijd te in bloemlezingen waarin wel ruim aandacht is voor andere schrijvers van het lichte vers, zoals Jean Pierre Rawie, Kees Stip, Lévi Weemoedt en Driek van Wissen. Ten onrechte dus.

Lang intro op bovenstaande liedtekst van Maarten van Roozendaal (1962-2013). Het is alweer drieënhalf jaar geleden dat hij overleed, pas 51 jaar oud. Enkele weekboeken uit die tijd wijdde ik aan de man die ik beschouwde als een vriend. Die weekboeken 2012-2015 zijn niet meer terug te lezen op deze nieuwe website. Misschien dat ik er binnenkort eens uit citeer, want dat verplicht mij om in deze rubriek nog meer gezongen poëzie van hem op te nemen...
Het is een magere troost dat zijn liedrepertoire nog altijd voortleeft in jonge theaterstudenten, die hem graag zingen in lessen
Liedinterpretatie, omdat zij hem, godzijdank, blijven beschouwen als de beste dichter-zanger binnen ons muzikale theaterlandschap.

Anniekgaat ook over de dood: de dood van een ongeboren kind. De vader fantaseert hoe het had kunnen - nee, hoe het eigenlijk had moeten gaan... In slechts een paar minuten tijd laat hij haar opgroeien van kinderwagen tot meisjeskamer, van schoolmelk tot de grote school, van beugel tot zesde vriend, van studie klaartot nieuwe huis, van paps is dood tot - o, mijn lieve kleine meisje... 

Maarten van Roozendaal toont in deze liedtekst trouwens aan dat de eis van directe verstaanbaarheid het gebruik van literaire stijlmiddelen niet in de weg hoeft te staan. Zo zetten de derde en de vierde regel je meteen al op het verkeerde been: laten dansen met de kinderen in de kring, hoor en lees je, althans totdat regel vijf klinkt: met de kinderen in de kring had ik je willen laten spelen
Nog een lievelingsregel uit de eerste strofe:
ik wil je nu alleen niet laten gaan. Want daar staat evengoed: ik wil je nu niet alleen laten gaan. Zelfs ambiguïteit kan een literair liedauteur zich veroorloven. Zo zijn we terug bij de eerste alinea van deze toelichting.    





Foto van de niet eens volledige Maarten-collectie binnen de verzameling van Frank Verhallen. Deze foto is uit 2013; binnenkort staat hieronder nog een foto van wat er daarna nog verscheen, waaronder zijn verzamelde liedteksten

Archief 2017