Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse en vanaf 1 januari 2020 wekelijkse (maar soms toch weer iets vakere) rubriek met gedichten en gedachten daarover. Geschreven vanuit mijn levensmotto: ik ben onderweg om mooie dingen aan te raken.

-----

Voor wie een handvat zoekt:
Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn deze links: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 20202019, 20182017 en 2016.

Week 51 - Pieter Boskma: Ben jij het, liefste?

vrijdag 23 december 2016

Ben jij het, liefste, ben je alles nu?
Stem die de diepste tonen zingen kan?
Gras dat koorddanst op een duinrug,
zon die opvlamt uit een vennetje?

Is het de zee waarmee je aanruist nu,
het nauw hoorbaar vallen van een blad?
Knipoog je vliegtuigstrepen aan de lucht
en plaag je me gewoon maar wat?

Naar het waarom zal ik niet langer vragen.
Geen enkel antwoord was bevredigend,
het leidde slechts tot feller onbehagen.

Vlieg dus maar rond en wees het lied
dat wij elkaar nog altijd kunnen geven,
allebei de tekst en allebei de melodie.

2010


In 2008 overleed Monique Orth, 49 jaar oud, aan borstkanker. Zij was de echtgenote van dichter Pieter Boskma (1956). Twee maanden na haar dood zette hij zijn schrijftafel op de plaats waar haar ziek- en sterfbed had gestaan en begon te schrijven. Zeven maanden lang, twee à drie gedichten per dag. Allemaal sonnetten, maar vrij(er) van vorm wat rijm en ritme betreft en zelfs qua lengte: soms komt er zomaar een regel bij. 
Honderd wilde hij er schrijven, maar het werden er uiteindelijk meer dan driehonderd, waarvan hij er ruim tweehonderdvijftig publiceerde in Doodsbloei. Verpletterende poëzie die zich laat lezen als doodsdagboek en zelfs als rouwroman in verzen. Zeer toegankelijke taal en zelfs minder somber dan je zou vermoeden, want er is weliswaar groot verdriet en gemis, maar er valt ook veel dierbaars te herinneren, waardoor de bundel zeker geldt als groot eerbetoon aan de gestorvene, Doodsbloei gaat daarmee net zo veel over de Liefde als over de Dood. Want de Liefde kan de Dood niet afnemen, die blijft.

De bundel is opgebouw in drie delen, waarvan hierboven het eerste gedicht van het eerste deel, getiteld Einde. Daarin voelt hij zijn liefste soms nog heel dicht bij zich, daarin mist hij haar enorm en daarin herbeleeft hij, tegen wil en dank, steeds weer haar aftakeling, vernietiging:

Ik mis je feller met de dag
en weet steeds minder goed
wat ik met mijn tijd aan moet.
Ik wou dat ik het nooit meer zag:

de bloeduitstortingen van die verdomde
infusen op je gelig bleke armen,
je uitgevallen haren, de verlamming
van je benen, de gehate voedingssonde,

of de keer dat je ineens onverstaanbaar sprak
omdat de uitzaaiingen je hersenen hadden bereikt
en ik je uit het ziekenhuis weer naar huis toe bracht -

maar het blijft mij voor ogen. Daarna ging het vlug
en ik beloofde je dat ik het zou proberen, toen je zei,
vlak voor je stierf: 'Liefste, word weer gelukkig.' 
 

Deel twee, Terug, is een reis naar het dodenrijk, geïnspireerd op het verhaal van Orpheus & Eurydice van Ovidius en van Vergilius en door De goddelijke komedie van Dante. Hij kan zijn gestorven liefste soms niet meer oproepen in zijn gedachten en als dat wel zo is, vindt hij dat niet afdoende. Hij moet haar terug. In de vertrekken van het Hiernamaals hoopt hij haar weer te vinden, tevergeefs natuurlijk: 

Waar zou je nu zijn, hoe zou het je gaan?
'Ik ben overal en het gaat hoe het gaat.'
Kom nog even bij me, raak me nog eens aan.
'Je weet dat zo'n verzoek nergens op slaat.'

Zo wordt mijn alleenspraak steeds meer dialoog,
een dubbele vlucht uit wat niet valt te zeggen.
Want je bent dood, je bent dood, je bent dood.
Waarom heeft niemand echt uit kunnen leggen.

Maar als jij overal bent, dan ben ik dat ook.
En wat ik zeg zijn tevens jouw woorden,
die jij op jouw beurt weer van mij hoorde.

Laat ons het hoofd nu maar buigen
en zwijgen, en straks de epiloog
ons van elkaar bevrijden.


Hieronder staat die epiloog, want in deel drie,
Opnieuw, realiseert hij zich dat hij het toch echt zelf moet doen. Door alle seizoenen en rouwfasen heen wandelde en wanhoopte hij door de duinen van zijn Noord-Hollandse woonplaats Heiloo, daar waar hij haar as verstrooide. Nu de bundel voltooid is, kan hij verder, met zelfs nog een boodschap aan zijn lezers:     

Je had gelijk natuurlijk, als altijd.
Je had gelijk: dit werk was klaar.
Maar zodra ik stopte, kreeg ik spijt,
zo was ik eraan verslaafd geraakt,

Toch, lieve laastste lezeres,
heb ik ditmaal doorgezet.
Dit is het alerlaatste vers
van wat een epos werd.

Doof het licht en ga maar slapen.
Nu ik niets meer te doen heb
zal ik over u waken.

Droom maar over haar en mij,
een Liefde die haast niemand kent
en die zelfs voor de dood niet wijkt.

Droom, voor ook u gestorven bent.


Wat een poëzie, wat een resultaat en wat een dichter. Binnenkort meer van hem: Pieter Boskma.

Archief 2016