Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 47 - Ed Leeflang: Een groene linnenkast (8)

maandag 21 november 2016

De vader van de baby Constantijn, wat hem
voor ogen zweefde stuit en kalmeert mij niet.
Precieze dromen moet ik 's nachts wel uit,
naar de keuken en ik wil dan nog een uur
op een bevriende stoel.

Niet de geringste engel zou er voor
hebben gevoeld verder te gaan
met haar broze, bedreigde lichaam.

Hij heeft veel te veel bedoeld.
Ik kom niet uit met zijn stoïsch verdriet
en niet met zijn troostrijke orde.

Hoe waar zijn die in zijn huis
trouwens geworden?

Want de moeder schreef het niet.

1981


Het achtste (en dus middelste) gedicht van De groene linnenkast: een cyclus van zeventien titelloze gedichten over een ernstig geestelijk gehandicapt kind. Ze vormen het hart van de bundel Bewoond als ik ben (1981) van Ed Leeflang (ook hier).
Lang heb ik niet over haar durven schrijven / uit angst voor één kunstzinnig woord schrijft hij in het openingsgedicht, maar in De hazen en andere gedichten (1979) stonden ook al vijf gedichten over haar.

De vader van de baby Constantijn is natuurlijk Joost van den Vondel (1587-1679), de dichter van Konstantijntje, 't zaligh kijntje. Vondel werkt aan een groot epos over Constantijn de Grote als zijn tweede zoon geboren wordt. Hij noemt hem daarom Konstantijn. Maar het jongetje overlijdt kort na de geboorte en daarmee verliest Vondel twee Konstantijns, want door deze dramatische gebeurtenis ontbreekt hem de lust zijn werk te voltooien.

Ed Leeflang kan niets met Vondels troostrijke woorden:
Boven leef ick, boven zweef ick, Engheltje van 't hemelrijk. Voor hem geen hemels geluk, maar nachtmerries: precieze dromen waar ik 's nachts wel uit moet. Bovendien: niet de geringste engel zou er voor / hebben gevoeld verder te gaan / met haar broze, bedreigde lichaam. Oftewel: dit kind was in de hemel niet gewenst en haar leven zal haar en zijn toekomst voor altijd tekenen.  

En dan die laatste, geïsoleerde regel:
Want de moeder schreef het niet. Vondel troost zijn vrouw, want hun kind is in de hemel en vond daarmee Eeuwighe Overvloet. Leeflang neemt, hoe tragisch, juist een voorschot op de liefdesbreuk die deze te tragische gebeurtenis zal inleiden. In De hazen en andere gedichten schreef hij immers al:

mijn levenswil eerder
dan mijn verdriet vernielt
straks onze levens

 




 

Archief 2016