Gedicht gedacht

 Poëzie is alledaags in de zin dat het voor iedere dag is (Carol Ann Duffy)

Een dagelijkse rubriek met gedichten en gedachten daarover.

Vanaf 2019 zijn de afleveringen genummerd; op 31 december kom ik uit op 365. En ja, het klopt dat ik meestal al verder ben dan het jaar oud is; er is immers zoveel moois om het over te hebben.

Of de teller op 31 december op 365 staat, is sinds de zomer van 2019 zeer de vraag. Ik start 1 september met het schrijven van twee biografieën, die respectievelijk najaar 2021 en voorjaar 2024 zullen verschijnen. Vanaf dat moment ontbreken de tijd en ruimte om dagelijks aan deze rubriek te werken.

-----

Met de pijl rechts van ARCHIEF (zie onderaan deze pagina) ga je terug naar het vorige jaar; met de pijl links naar het volgende. Handiger zijn de links hierna: daarmee ga je naar de inhoudsopgaven van 2019, 20182017 en 2016.

Week 46 - Eddy van Vliet: Dood

vrijdag 18 november 2016

Dood. Heb geen angst. Talm niet
voor mijn deur. Kom binnen.
Lees mijn boeken. In negen van de tien
kom je voor. Je bent geen onbekende.

Hou mij niet voor de gek met kwalen
waarvan niemand de namen durft te noemen.
Leg mij niet in een bed tussen kwijlende
kinderen die van ouderdom niet weten wat ze zeggen.
Klop mij geen geld uit de zak
voor nutteloze uren in chique klinieken.

Veeg je voeten en wees welkom.

1991


"Met bestofte laarzen trekt de dood een spoor door de sneeuw", schrijft Eddy van Vliet in zijn gedicht Dood uit de bundel  Van bittere tranen jollebloemen e.a. blozende droefheden (1971).
"De dood hield haar eerste open-deur-dag. Door een mangat van lakens mocht ik haar begluren", schrijft hij tien jaar later in zijn gedicht
Dood uit de bundel Het grote verdriet (1981).
Bovenstaand gedicht, met weer diezelfde titel, staat in de bundel
De toekomstige dief (1991), van weer precies tien jaar later.

De gedichten van Eddy van Vliet (1942-2002) ademen melancholie, een gemoedstoestand waarin ik mij goed herken en wat de voornaamste reden is waarom ik van zijn poëzie houd..
Toen Eddy van Vliet twaalf jong was, verliet zijn vader het gezin en het lijkt erop of de dichter het verdriet om dat vertrek nooit meer van zich af heeft kunnen schudden. Geen toeval dat zijn laatste bundel,
Vader (2001), bestond uit één lang episch gedicht waarin hij die afwezige vader toespreekt. Veel eerder, in het gedicht Afscheid van mijn vader, uit de bundel Jaren na maart(1986), had hij al geschreven:

Ik wil alleen maar zeggen dat ik het niet weet.
Dat ik het allemaal niet zo duidelijk zag,
zoals gebleken achteraf.

Het tuinhek diende plotseling gesmeerd.
De lege plekken op de muur bedekt en vlug
vlug de geur van scheerzeep weg.

De kalende die Homerus declameerde. De maïsvretende.
De charmante die uit Frankrijk parfum meebracht. Hadden zij
ook hun koffers gepakt, de huisvrienden van de vrije dag?

Ik schreef het reeds meer. Die morgen
liep hij van de keuken naar de straatdeur
en kwam niet weer.

Archief 2016